Lichtstad 2525
De televisie staat nog aan, het nieuws is net begonnen, maar mijn aandacht is al naar buiten gegaan. Ik loop langs het raam, ijsberend, te neuriën. De nieuwslezer leest voor dat Eindhoven opnieuw de groenste stad van de Benelux is. Uit het raam zie ik de Dommel die zowel de vervuiling als de vergroening heeft meegemaakt; zowel het vertrek als de terugkeer van de wolf.
Ook Mary, mijn vrouw, heeft het op haar heupen gekregen. Ze bladert een voor een door het honderdtal boeken in onze boekenkast maar neemt geen woord in zich op. Zelfs de plank met haar zelf geschreven boeken spreekt op dit moment niet tot haar. Over een paar minuten is het nieuws voorbij. Dan mogen we. Mary doet haar halsband alvast om en legt de mijne op de bar. Ze pakt een fles wijn uit de muur van wijnflessen achter de bar en schenkt voor ons allebei een glas in. Voor ieder boek in de boekenkast staan er hier zeker vier flessen wijn.
Zodra het einddeuntje van de uitzending begint, giet ik mijn glas achterover, klik ik mijn halsband vast en lopen we allebei vol verwachting naar de voordeur. Ik trappel op de plaats; het deuntje loopt af; de halsbanden activeren; en de deur schuift open. We stappen - hoewel het meer op springen lijkt - de drone in die is gekoppeld aan ons appartement op twaalf hoog.
De drone raast over bossen en velden, tussen de steeds hoger wordende flatgebouwen in. Bij het Kennedybos verwondert het uitzicht me iedere week opnieuw. Ik draai het raam open en hang met mijn hoofd uit het raam, genietend van de frisse wind door mijn haren en kijkend naar de torens vol licht. Aan weerszijden van het lintbos staan flats van meer dan vijftig verdiepingen. De gevels zijn bezaaid met lampen, in een patroon van alle kleuren, zodat het lijkt alsof de gevel één grote regenboog is.
We landen op de parkeerhaven waar het Kennedybos en het Pastoriebos, twee van de breedste groenstroken door de stad, elkaar doorkruisen. Boven het lint vliegen drones. Het is nu nog best druk. Zo nu en dan landt er een drone bij een van de parkeerhavens langs het bos. De rest is op weg naar huis, naar een van de vele flats tussen het groen. De mensen in de drones die landen gaan net als wij naar de open plek.
De drone landt met de neus naar het bos. Achter ons staat een van de lagere flats van de stad, waar de laagstaande, volle maan precies overheen schijnt en de open plek in het bos markeert in het midden van de kruising. Zodra de deuren van de drone openen, springen we eruit en rennen we naar de rand van het bos. Daar waar de parkeerhaven eindigt en het bospad begint, blijven we abrupt stilstaan.
Het is ons al vaker gebeurd dat we uit enthousiasme het pad op renden en, nog voor de eerste stap neerkwam, een schok kregen van de halsband. We kijken afwachtend maar hoopvol naar het pad. Het wordt verlicht door een slinger gekleurde lampjes, hangend in de takken van de bomen, die ons de weg wijst door het verder onheilspellend donkere loofbos.
Bij iedere drone die neerkomt, word ik enthousiaster. Ik kan me bijna niet meer inhouden. Ik waggel van mijn ene naar mijn andere been, alsof ik moet plassen, maar let er goed op dat ik niet naar voren stap. Wat moeilijker wordt als ik de eerste klanken van een gitaar hoor. ‘Ik wil gaan. Ik wil gaan. Ik wil gaan,’ popel ik. Ook Mary staat al op haar benen te hupsen, hoewel ze normaal een stuk rustiger is dan ik.
En dan, als in de verte het gejank klinkt van een wolf, en de maan achter een wolk tevoorschijn komt, wordt mijn halsband uitgeschakeld. Nog geen seconde later lopen Mary en ik hand in hand het duistere bos in over het kleurrijk verlichte pad.
Voorbij het pad is het bos donker. De struiken ritselen, maar het is onmogelijk te zien waardoor. Het klinkt klein, misschien een muis, kat of vos. Niet heel ver weg hoor ik een uil en meteen daarna een klein groepje vleugels dat geschrokken opvliegt. Het is niet te zien wat er rondspookt. Vleermuizen of vogels. Een wilde hond of vos. Zij zien ons wel lopen over het pad opgelicht door gekleurde lampen. Een pad met als bestemming een feest.
Het duistere bos begint langzaam lichter te worden. Een oranje gloed onthult de takken en bladeren op de grond. Er ligt een broek en een paar schoenen. Er zijn geen dieren meer te zien. En niet alleen het licht overspoelt ons, ook de geur van brandend naaldhout en de muziek van een akoestische gitaar worden sterker bij het naderen van de open plek.
Ik zie een voet onder een struik uitsteken. Hij lijkt niet te bewegen. Ik focus om te zien of ik nog een tweede of zelfs derde en vierde voet zie liggen, maar voordat ik die spot, word ik afgeleid.
‘Percy!’
Ik kijk achter me.
‘Laat die twee maar liggen.’ Het is Charles, de gastheer van vanavond.
‘Weet je wel zeker dat het er twee zijn?’
‘Ja, ja, die liggen daar al de hele tijd. Ze konden waarschijnlijk niet het fatsoen opbrengen eerst even een drankje te komen doen. Ze zijn meteen verdergegaan waar ze vorige week gebleven waren.’
Ik kijk nog een keer om maar laat me snel overtuigen mee te gaan.
‘Kom, kom! Wilhelm gaat zo een verhaal vertellen. We kunnen nog net even een lekker drankje pakken en een plekje zoeken.’
Mary loopt voor Charles uit naar de bar. Ze haakt aan bij Dorothea en Byron, haar vaste groep met wie ze praat over boeken en verhalen. Het is een groep die zich voornamelijk bezighoudt met het schrijven van verhalen. Vooral met Byron klikt het goed. Niet iedere dag, maar een keer in de week is dat haar maatje.
‘Waar is Dido?’ vraag ik.
‘Ha ha! Jij ouwe hond! Ik zei je toch dat ze leuk was. Net iets voor jou.’
Charles geeft me een biertje.
‘Ik heb haar nog niet gezien. Ze zal zo wel komen.’
We nemen een slok en hij loopt weer weg om de volgende gasten te ontvangen. Ik hang met mijn rug tegen de bar kijkend naar het toenemende aantal mensen rond het kampvuur. Er ontstaan verschillende groepjes.
Hier nabij de bar staan de bierbrouwers en aan de andere kant de wijnsommeliers. Bij het vuur zijn de verhalenvertellers bijeengekomen en net daarachter staat Mary met haar schrijversgroep. In de struiken, op zoek naar materiaal en nieuwe bessen om verf mee te maken, dwalen de kunstenaars. Al wandelend rond het vuur lopen de filosofen, die in de weg worden gelopen door de selfienemende dames van de social-mediagroep. Bij het podium, niet heel ver van de bar, staan de muzikanten uitbundig te lachen. En net voor me in een hevig gesprek verwikkeld staan mijn vrienden, de historici, aan een bartafel. Iedere week maken we er een sport van nog meer nieuwe feiten te achterhalen uit het verleden.
‘Vierhonderd jaar geleden waren dit nog twee grote wegen uit de tijd dat men nog op wielen reed. En ongeveer 350 jaar geleden hebben ze de wegen opgebroken en er een bos geplant.’
‘Is dat niet ontstaan door de eerste grote droneoorlog?’
‘Jazeker! Heel de huidige samenleving is in die periode ontstaan. Grote vraagstukken als klimaatverandering, AI en culturele ongelijkheid speelden in die tijd op, wat heeft geleid tot meerdere oorlogen.’
‘Is toen ook de AI-hivemind ontwikkeld?’
‘Heel goed! Interessant is ook de implementatie daarvan per stad in plaats van een groot mondiaal netwerk, waardoor er nog wel cultuurverschillen zijn maar geen culturele of economische ongelijkheid.’
‘Bijkomstig zijn ook alle mensen gestopt met werken.’
‘Ha, ha, ha! Kun je je voorstellen dat mensen destijds het werk verrichtten.’
‘Ik zou niet weten waar ik de tijd vandaan moest halen. Er zijn nog zoveel boeken te lezen.’
‘Heb je die nieuwe productie van Cleo al gezien? Over het oude Egypte.’
‘Daar loopt ze!’
‘Er zijn nieuwe bewijzen dat er een buitenaardse AI-signalen gestuurd heeft met als opdracht de piramides te bouwen. Waarschijnlijk kon het via het licht van een ster, vermoedelijk de Poolster, boodschappen versturen die onbewust door mensen zijn opgepikt.’
Interessante film, denk ik, maar ik sluit me nog niet aan. Ik zoek naar Dido. Ik zou haar deze week bij ons clubje introduceren. Waar blijft ze toch? Er arriveren steeds minder frequent mensen. De voet onder de struik popt op in mijn gedachten. Zou Charles gelijk hebben? Waarom bewoog de voet dan niet? En waar waren de andere voeten? Ik probeer Dido en de voet uit mijn hoofd te zetten door een plaatsje te zoeken bij het kampvuur.
Er zijn meerdere vertellers die hun verhalen delen. Als eerste een verhaal over de liefde tussen een prachtige jongedame en een afschuwelijk beest. Vervolgens een verhaal over een jong, lelijk eendje dat opgroeit tot een prachtige zwaan. Als we daarna midden in een verhaal zitten over een gekrompen jongen die op reis gaat op de rug van een gans, en Dido al die tijd nog steeds nergens te bekennen is, dan komt Mary opeens bij me zitten.
‘Je hoeft mij geen gezelschap te houden. Ik vermaak me prima. Selma kan erg goed vertellen. Net als Jeanne en Hans, overigens, maar die kende ik al.’
Ze kruipt tegen me aan. ‘Ik zit graag hier.’
De avond verstrijkt met Mary tegen me aangeleund. De volle maan staat hoog aan de hemel, er is geen wolkje aan de lucht en het hele bos is nu verlicht. Onder het gehuil van de wolven, drinken en luisteren we naar de verhalen en muziek rond het kampvuur. Ook om ons heen zijn mensen tegen elkaar aan gaan zitten. Sommige verdwijnen van de open plek om schijnbaar te gaan wandelen in het bos.
‘Zullen we ook een wandeling gaan maken?’ vraagt Mary.
Ik kijk verrast op. ‘Je weet dat vanavond je kans is om met een ander samen te zijn. Moet je Byron niet opzoeken?’
Ze geeft me een zoen. ‘Ik wil met jou zijn.’
Ik volg haar initiatief; we lopen samen langs de bar, Mary grist snel een fles wijn mee, het bos in. De groep koks zoekt op de grond naar paddenstoelen nabij de struik waar ik eerder een voet heb zien liggen. Die is nu weg, hoewel de broek en schoenen er nog wel liggen. We lopen langs een verhitte discussie tussen een groepje paintballers en een groepje larpers met verfvlekken op hun zelfgemaakte tenues.
Verderop, waar het geluid van de discussie niet meer hoorbaar is, blijven we staan bij een grote eik. Mary draait de fles wijn open en neemt een flinke slok. Ze geeft me de fles en komt dicht tegen me aan staan. Ik neem ook een slok, waarna Mary me tegen de boom aan drukt en begint te zoenen.
In het begin houd ik mijn ogen dicht. Als ik ze even later open, zie ik achter Mary tussen de bladeren op de grond iets wat lijkt op een arm liggen. Ik knijp met mijn ogen om het zeker te weten en stop zodra ik het zeker weet direct met zoenen.
‘Kijk daar!’ zeg ik ernstig.
‘Gatver!’ antwoordt ze, waarna ze oprispingen krijgt.
Achter ons, achter de boom klinkt een diep, zwaar grommend geluid. Een wolf komt tevoorschijn met in zijn bek het stuk been dat ik eerder onder de struik heb zien liggen. Althans het draagt dezelfde sok. De wolf laat het been uit zijn bek vallen en komt op ons af. Naast hem, zowel links als rechts, komen nog twee wolven tevoorschijn met ledematen in hun bek.
Ik ga voor Mary staan en spreid mijn armen om haar te beschermen. We stappen langzaam naar achteren zonder de wolven uit het oog te verliezen. Ik kan dan ook niet zien waar ik mijn voeten neerzet en blijf achter een uitstekende boomwortel haken. Ik val achterover op de grond. De middelste wolf gromt en wil naar voren springen om me aan te vallen. Precies op dat moment slaakt Mary een kreet en stapt ze naar voren tussen mij en de wolf. Ze houdt de fles wijn ondersteboven als een knuppel vast, waardoor de wijn uit de fles over haar voeten leeg stroomt. De wolf blijft verward staan.
‘Oh zonde!’ hoor ik de wijnsommelier zeggen die met een van de social-mediadames onze kant op komt lopen. Ze zullen de kreet van Mary gehoord hebben.
‘Wat eng!’ roept de dame, terwijl ze haar selfiestick in aanslag neemt.
Een van de meer fotogenieke wolven verlegt zijn aandacht naar de twee die inmiddels met hun rug naar de wolven staan om met ons allen op de foto te kunnen. Net na de foto is genomen, bijt de wolf in de arm die de selfiestick nog omhoog houdt. Ze laat zich vallen op de grond en schreeuwt het uit. De sommelier die de wijnverspilling zojuist nog ‘zonde’ vond, slaat nu een nog ongeopende fles wijn stuk op het achterhoofd van de wolf. De wolf slaakt een noodkreet en valt neer.
Op dat moment verschijnt de hele roedel. Zeker twaalf wolven omsingelen ons nu, grommend, dreigend. Ze lopen langzaam rond ons heen. We proberen lawaai te maken, om hulp te roepen, maar het heeft geen zin. We zijn te ver van het kampvuur om gehoord te worden. Gewapend met nog twee flessen wijn en een selfiestick gaan we met de ruggen tegen elkaar staan.
De roedel stopt met rondjes lopen. De wolven zijn nu allemaal recht op ons gericht. Ze grommen, sluipen onze kant op en staan dan gereed om op ons af te springen. Twaalf tegen vier, waarvan twee gewond aan onze zijde en een aan die van hen. De grootste wolf springt als eerste. De sommelier heft zijn fles wijn. Als de wolf bijna in slagbereik is en ook de andere wolven hun aanval inzetten, valt de wolf plots schokkend op de grond. Een taser heeft hem boven op zijn rug geraakt. Ook de andere wolven vallen schokkend neer. Een fractie later worden onze halsbanden geactiveerd en worden ook wij met schokken naar de grond gebracht.
Twee agenten landen tussen ons en de wolven in. Een agent komt naar Mary en mij toe. Hij creëert een lichtbaan tussen zijn hand en onze halsbanden. Het signaal voor ons om ervoor te zorgen dat we bij hem in de buurt blijven. Lopen we te ver, dan geeft de halsband een schok. Hij neemt ons mee naar de open plek. De social-mediameid wordt met een ambulancedrone opgepikt en de sommelier wordt door de andere agent naar de open plek gebracht. De gevonden lichaamsdelen worden van hun kleren ontdaan, maar blijven verder in het bos liggen voor de wolven.
Bij de open plek is intussen iedereen tegen de grond gewerkt en is een team agenten bezig de mensen aan te lijnen. Het feest is voorbij. Enkele opruimbots breken de bar af en laden alle spullen achter in een grote verhuisdrone. Alles wordt in beslag genomen. Wie protesteert, krijgt een schok. Zo gaat het altijd. Mary en ik blijven, net als alle andere mensen, geduldig wachten bij de agent die ons aan de lijn heeft. Er wordt door niemand meer iets gezegd.
Niet veel later hoor ik gekraak op het grindpad; er komt iemand aan. De stappen zijn snel en regelmatig. Ik denk het geluid te herkennen en voel me al een beetje opgelucht. De agent blijft roerloos naast ons staan en op een stand-bylichtje na lijkt hij helemaal uitgeschakeld. Toch verroeren Mary en ik ons niet. De voetstappen komen steeds dichterbij. Nu weet ik het bijna zeker. En jawel, na een paar flinke stappen komt ons baasje tevoorschijn. Het is een grote mensachtige robot, die hier in het bos net als de agent op twee benen loopt. Wat ben ik blij om hem te zien!
Als hij bij ons in de buurt komt, gaat hij eerst tegenover de agent staan die zichzelf weer inschakelt. Ze staan een paar tellen tegenover elkaar zonder dat er zichtbaar iets gebeurt. Daarna verdwijnt de lichtstraal tussen ons en de agent. Het baasje koppelt de halsbanden met eenzelfde lichtstraal aan hem. Vervolgens loopt hij met ons terug over het pad het bos uit.
De deuren van de drone staan al open. Als wij zitten, vouwt het baasje zich op in de kofferbak en vliegen we terug naar het appartement. Vanuit verschillende parkeerhavens langs het bos zien we drones opstijgen en terugvliegen naar de appartementen. Op het scherm in de drone verschijnt onze agenda, het overzicht van komende week. De wekelijkse bijeenkomst in het bos wordt verwijderd. Morgen wordt een sterilisatie ingepland voor zowel Mary als mij.
‘Waarom moeten we gesteriliseerd worden? We hebben niets gedaan.’
Het baasje reageert: ‘Door een sterilisatie worden jullie rustiger. Alle aanwezige mensen krijgen er komende week een.’
‘Is daarom de bijeenkomst van volgende week uit de agenda gehaald? Komt die weer terug als iedereen gesteriliseerd is?’
‘Die plek is niet meer geschikt. Mensen en wolven gaan niet samen. Jullie zullen een nieuwe plek moeten vinden. Tot die tijd is er geen vrije avond. We kunnen nog wel overdag in het bos gaan wandelen als ik met jullie meega. Laat me maar weten als ik jullie nog ergens mee van dienst kan zijn.’
‘Nu niks.’
‘Tot ziens!’
De drone koppelt zich aan het appartement. Als we binnenstappen, is het eerste wat opvalt dat alle flessen wijn achter slot en grendel zijn gezet. We worden verplicht een tijd niet te drinken. Mary en ik kijken elkaar niet langer aan. De genegenheid van het samen luisteren naar verhalen rond het kampvuur is weer verdwenen. De innige liefde onder de grote eik is weer teruggegeven aan de natuur. We zijn hier verplicht tot samenzijn, dus laten we elkaar zoveel mogelijk met rust. Ik laat me in de bank vallen en zet de nieuwe film van Cleo aan over het oude Egypte. Mary begint aan een volgend boek.