Het Mannetje op de Maan
‘Kom op jongens! Doorwerken! Het worden koude dagen.’
Hanne is trots. Voor het eerst mag hij mee hout sprokkelen in het bos met de grote jongens. Hij is nog afwachtend en kijkt toe hoe de anderen gretig hout verzamelen en naar de kar brengen. Hanne loopt achter Melle aan om mee te helpen, maar telkens als hij een tak wil oprapen, is Melle hem voor.
‘Ga toch aan de kant.’ Melle duwt hem opzij.
Ook de drie andere jongens moeten niks van de nieuweling hebben.
‘Ga ergens anders zoeken.’
‘Hallo, hier zoek ik al.’
Keer op keer wordt hij aan de kant gezet en wordt het hout voor hem weg gegrepen. Met lege handen loopt Hanne weg van de groep om aan de andere kant van de kar te sprokkelen. Als hij de eerste paar takken geraapt heeft, hoort hij verderop iets ritselen. Hij kijkt op en ziet op nog geen tien meter afstand een oude man in versleten kleren net als hem takken rapen. Hanne blijft naar hem kijken. Wie het ook is, hij hoort niet bij de groep.
‘Laat dit hout liggen jongen.’
Hanne doet wat meneer Ten Broeke hem opdraagt en laat het hout uit zijn handen vallen.
‘We sprokkelen hier niet. Dit is Zijn gebied.’
‘Waarom niet? Er ligt toch genoeg voor ons allemaal. Hij lijkt het niet erg te vinden. Zal ik het hem anders vragen?’
‘Niet zo brutaal. Weet je niet wie dat is?’
‘Een oude kluizenaar?’
Meneer Ten Broeke slaat zijn hand tegen de mond van Hanne. ‘Zo praat je niet over de Heer!’ Hij duwt Hanne, weg van dit gebied en weg van de oude man. ‘Ga terug naar de andere jongens, wegwezen!’
De oude man kijkt nu richting Hanne, die het op een lopen heeft gezet. Meneer Ten Broeke buigt zich voorover en laat zijn ogen op zijn schoenen vallen.
‘Excuses mijn Heer, hoe maakt U het mijn Heer? De jongen is onwetend. Ik had hem beter moeten leren voor hij het bos in trad. Excuses!’ Ten Broeke loopt achteruit met zijn ogen nog op zijn voeten, tot hij terug is bij de kar.
De oude man hoort het aan en gaat verder met hout sprokkelen.
De andere jongens lopen intussen gretig op en neer, waardoor de kar al bijna helemaal gevuld is. Hanne probeert tussen de hollende jongens door nog een stapel hout te verzamelen. Tot nu toe heeft hij nog geen twijgje bijgedragen. Eén stapel moet toch het minste zijn wat lukt.
‘Ga toch weg.’ Hanne wordt weer opzij geduwd.
‘Die zijn van mij.’ Melle grist de drie takken die Hanne geraapt heeft uit zijn handen.
‘Uit de weg Han!’ Hij wordt voorover geduwd als hij in zijn hurken gaat om een tak op te rapen. Zijn gezicht geplant tussen de bladeren en het mos.
‘Han! Han!’ Hij kijkt op uit het mos. Ten Broeke spreekt hem aan: ‘Niet gaan liggen slapen jongen! Kom op! Opstaan!’
De andere jongens schateren het uit. Ook bij Ten Broeke is een lach af te lezen van zijn gezicht. Hanne komt overeind, haalt wat mos van zijn gezicht, en klopt zijn broek af.
‘Op zondag is hier niemand.’
Hanne schrikt op. De oude kluizenaar staat achter hem. Hij heeft zijn handen vol met sprokkelhout.
‘Hier,’ zegt hij en geeft zijn stapel aan Hanne. Die verdwijnt bijna achter de stapel. Hij kan nog net tussen een kiertje door zien waar de kluizenaar zich bevindt. ‘Kom me morgen maar helpen een nieuwe stapel te verzamelen.’
‘Dat zal ik doen!’
De kluizenaar plukt een takje uit Hannes haar, legt het op de stapel en loopt zonder ‘doei’ of ‘tot morgen’ dieper het bos in. Hanne loopt trots naar de kar van Ten Broeke. De Heer heeft hem gevraagd Hem op zondag te komen helpen.
‘Kijk eens aan! Wat een mooie stapel jongen. Jij mag vaker mee komen helpen. Godverdomme! Wie had dat gedacht, die kleine Hanne. Hij flikt het maar eens mooi. Zo’n grote stapel! Dat heb ik jullie niet zien doen.’
De andere jongens mopperen flink.
‘Uitslover!’
‘Braverik!’
‘Opschepper!’
‘Krijgt er een kapsones. Kijk hoe trots hij is. Eén stapeltje. Wij hebben de rest van de kar gevuld.’
Ze lachen weer samen om hem. En als Hanne de stapel niet op de kar krijgt gegooid, de helft valt erlangs, moppert er niemand meer, maar liggen ze juist op de grond van het lachen.
‘Lach maar,’ zegt hij nog altijd trots. ‘Ik ga morgen de Heer helpen met hout verzamelen.’
Nu rollen ze allemaal in de rondte en jaagt hun gelach in wijde omtrek de vogels, dieren, zelfs de wolven weg. Wie in deze kou dacht nog wat wild te schieten, komt na die lach bedrogen uit.
‘Help die jongen liever dan op de grond te gaan liggen. We moeten terug. Het schemert al en de wind begint te snijden.’
Ten Broeke stapt op Hanne af en grijpt hem bij de oren.
‘Au!’
Hij draait Hannes oren totdat Hanne hem strak in de ogen aankijkt. ‘En jij stopt met de Heer belachelijk te maken.’
‘Maar…’
‘Geen gemaar! De Heer vraagt niemand om te werken op zondag. Dus haal die duivelse gedachte uit je kop. En nu meehelpen! We gaan.’
Hanne durft, net als de andere jongens, niets meer te zeggen. Maar hij weet dat de Heer hem een speciale opdracht heeft gegeven. Dus wat Ten Broeke ook beweert; Hanne gaat morgen hout sprokkelen in het bos.
Zondagmorgen speelt Hanne buiten in de sneeuw. Hij mag niet te lang en te ver gaan van zijn moeder, want ze gaan vanmorgen samen naar de kerk. Hanne weet al bij het naar buiten gaan dat hij te laat zal komen. Geen probleem, vindt hij, want de Heer heeft gevraagd te komen helpen. Dat is waardevoller dan een bezoek aan de kerk.
Hij heeft al een kleine stapel met hout verzameld wanneer de oude kluizenaar komt helpen. Hanne is te verlegen om te spreken tegen de Heer, bovendien is hij bang dat een gesprek starten onbeschoft zou kunnen zijn. De kluizenaar is niet gewend aan gezelschap. Er wordt dus niet gesproken tot er twee flinke stapels hout gesprokkeld zijn.
‘Zo is het wel genoeg.’
Hanne tilt een van de stapels op en volgt de oude man richting zijn huis.
Het is een houten huisje of eigenlijk meer een houten hut. Tussen de planken van de buitenmuur zijn grote kieren ontstaan die zijn dichtgegroeid met plakken mos en johannesbrood. Op het brood ligt een suikerdunne laag sneeuw, waardoor het brood vrij smakelijk oogt. Ook het dak is met dezelfde suiker bezaaid en op de ramen zit een dunne laag vorst, waardoor ze lijken op ramen van glazuur. Hanne krijgt bij het zien van deze hut spontaan honger.
De hele hut is niet erg groot. Bij binnenkomst sta je meteen in de keuken met eettafel. Het is er nauwelijks groot genoeg voor het tweetal kastjes, de tafel met twee stoelen, de haard en de ketel die er in staan. De ketel zit vol met water en op de bodem ligt een steen. Nog maar een paar ingrediënten en de soep is klaar. Onder de ketel smeulen de laatste resten van wat brandhout. Aan de achterzijde zijn twee deuren. De ene leidt naar het slaapvertrek, de andere naar een overkapte buitenwerkplaats.
De oude man loopt direct door naar de werkplaats en legt daar het sprokkelhout op een grote berg. Zo te zien heeft hij meer dan genoeg om de hele winter warm te blijven. En naast een wintervoorraad sprokkelhout heeft hij ook nog een muur van houtblokken. Hanne gooit zijn stapel bij de rest.
‘Hier.’ De kluizenaar reikt Hanne een bijl aan. ‘Maak maar wat van die blokken kleiner voor het vuur onder de soepketel.’
‘Als U het niet erg vindt, zou ik graag met moeder naar de kerk gaan. Misschien ben ik nog terug voor ze zich ongerust maakt.’
‘Ken je de weg?’
Hanne schudt zijn hoofd. De kluizenaar legt de bijl op het kloofblok.
‘Ik maak eerst soep. Dat zal ons opwarmen.’
Hanne, die het allerminst koud heeft, durft niet tegen het oordeel van de Heer in te gaan. Soep van de Heer zal beter voor hem zijn dan het lichaam van Christus. Daarbij heeft hij nog steeds honger. Dus hij pakt de bijl op en begint met het splijten van de houtblokken.
De oude man staat in de keuken en bereidt de soep. Hij voegt een wortel aan het water met de steen toe, vervolgens een ui, een aardappel en wat kruiden. Hij wakkert het vuur opnieuw aan met wat sprokkelhout. De hut vult zich nu langzaam met de heerlijke geur van de soep. De oude man meent dat er alleen nog wat vlees ontbreekt. Dat meent hij vaker in de winter. Er is voor de kluizenaar niet veel meer te jagen. Het is alsof de mensen van het dorp de dieren steeds verder weg jagen. Het is dus lang geleden dat hij een stuk vlees gegeten heeft.
Mette Willems, de moeder van Hanne, maakt zich intussen grote zorgen. Ze staat in de keuken uit het raam te kijken. Haar man, Willem Willems, zei dat ze zich geen zorgen hoefde te maken. Hij zou Hanne zo gevonden hebben, maar intussen duurt zijn zoektocht erg lang. Als ze Melle richting zijn huis ziet lopen, wordt ze bevestigd in haar gevoel. Die jongen is altijd te laat thuis, waardoor zijn familie op zondag pas de kerk binnenkomt als de dienst al is begonnen.
‘Melle!’
De jongen blijft staan wachten op de toerennende moeder van Hanne. Hij heeft haar zoon niet gezien, maar herinnert zich wel dat Hanne vandaag in het bos hout zou gaan sprokkelen. Hij moet er nog steeds van lachen, toch vertelt hij niet dat Hanne meent de Heer te gaan helpen.
Hanne loopt met een stapel brandhout naar de ketel die de hut vult met kruidige geuren. Ze brengen hem in gedachten terug bij zijn moeder. Haar gerechten zijn altijd in de hele straat te ruiken. Zijn moeder roept niet, zijn vader komt hem niet halen. Nee, Hanne rúíkt wanneer hij naar huis moet gaan. Zijn maag rommelt en gromt, een beetje uit heimwee maar vooral van de honger. De behulpzame jongen legt de stapel hout bij de ketel. Hij legt een paar blokken op het vuur om het aan te houden en gaat vervolgens nog een stapel halen. Het vuur moet nog wel even branden voor het vlees gegaard is, had de oude man gezegd. Hanne kijkt nog eens goed om zich heen, maar kan het vlees nergens zien. Zijn maag bromt nu nog eens flink, deze keer vooral uit nieuwsgierigheid.
‘Nog even geduld,’ zegt de oude man. ‘Ik ga bijna aan het vlees beginnen.’
Ten Broeke hangt net een gevild konijn aan de haak als Mette aan de deur staat. Hij doet open met het bloed nog aan zijn handen.
‘Excuses, mevrouw Willems. Ik was ons diner aan het voorbereiden en wilde me zojuist gaan wassen om naar de …’
‘Je moet me helpen! Hanne wordt vermist.’
‘…dienst te gaan.’
Terwijl Hanne het laatste hout bij de ketel legt, slijpt de oude man zittend aan de eettafel een slagersmes aan de bijl. Hanne kan niet wachten om te ontdekken welk vlees er achter hem wordt voorbereid. Konijn misschien, of fazant. Iets smakelijks en bijzonders bij de Heer op de dag van de Heer, dat kan niet anders.
Met Ten Broeke aan de leiding haast een kleine groep zich naar de plek waar gisteren hout gesprokkeld werd. De vier oudere jongens, die het gebied langzamerhand goed kennen, zijn met hun ouders meegekomen om te helpen zoeken. Mette en Willem zoeken zelf ook mee. Mette mist vandaag voor de eerste keer in haar leven de kerkdienst.
Heel zacht tussen de bladeren door is in de hut ‘Hàààn!’ te horen. Het klinkt niet duidelijk genoeg om te weten dat er iets mis is, maar Hanne kijkt er onbewust wel van op. Hij legt het blok dat hij vast heeft in het vuur, komt vervolgens langzaam overeind en spitst zijn oren als een konijn dat gevaar hoort. Achter zich hoort hij nog het slijpen van het mes, dus loopt hij naar het raam om nog eens te luisteren.
‘Hàààn!’ klinkt nu heel helder.
‘Volgens mij zijn ze naar me op zoek.’ Ze maken zich onnodig zorgen, meent hij. ‘Ik ga naar ze toe om ze gerust te stellen.’
Het slijpen stopt. Zou Hij het niet eens met hem zijn? Hanne draait zich om. De oude man staat op armlengte achter hem. Hij houdt zijn handen op zijn rug.
‘Ze weten niet dat ik bij U ben.’
‘Ga dan maar gauw.’
Hoewel hij nooit getwijfeld heeft aan de intenties van de oude man, kwam deze reactie toch als een verrassing. Hanne haast zich naar de deur. Hij buigt uit respect naar de kluizenaar maar draait zich naar de deur voor hij een reactie krijgt. Als hij de klink vastpakt, lijkt er een schaduw voorbij te flitsen over de deur. Hanne denkt er een bijl in te zien, alsof hij zichzelf ziet die nog hout staat te klieven. Moet hij hier blijven, om de Heer niet te beledigen? Dan denkt hij weer aan zijn vader en moeder. Hij vermant zich, duwt de klink omlaag en trekt aan de deur.
De kluizenaar, die liever niet heeft dat het malse jonge vlees er vandoor gaat, beweegt met hem mee naar de voordeur. De hongerige man haalt van achter zijn rug een bijl tevoorschijn, die hij vlug weer wegstopt als Hanne omdraait en een buiging maakt. De eenzame man vergeet vriendelijk te knikken, maar voor de jongen geeft dat niet. Die draait zich terug en staat op het punt de hut te verlaten. De kluizenaar haalt de bijl nogmaals tevoorschijn en heft hem boven het hoofd. De jongen heeft niets in de gaten. De kluizenaar twijfelt, misschien is vandaag opnieuw een groentesoep voldoende en hoeft er geen vlees te worden toegevoegd. Als de dieren in het voorjaar terugkeren ga ik weer op jacht, bedenkt hij, hoewel de gedachte aan een vegetarische winter hem kippenvel bezorgt. Dan hoort hij de klink, de deur piept open. De kluizenaar schrikt ervan en slaat bijna uit reflex met de bijl tussen de schouderbladen.
‘Hàààn!’ klinkt in de verte. De deur schuift dicht.
Als het vlees net gaar gekookt is, staan de ouders van Hanne met meneer Ten Broeke bij de oude man aan de deur.
‘Excuses, mijn Heer, dat we U zo midden op deze zondag moeten storen.’
De kluizenaar kijkt de groep afwachtend aan.
‘Hebt U misschien onze kleine Hanne gezien?’
‘Ik ken geen Hanne.’ Hij wil de deur dichtmaken maar meneer Ten Broeke zet er zijn voet tussen.
‘Pardon, het is dringend. De jongen die gisteren met mij hout kwam sprokkelen. We zagen U in het bos. Waar is deze jongen?’
De oude man loopt nu weg van de deur en gaat zitten aan de eettafel. De deur laat hij open.
‘Soep?’ vraagt de kluizenaar zodra Ten Broeke naar binnen stapt. Hij schuift aan tafel aan. Voor de heer en mevrouw Willems haalt de man een houten bankje van de werkplaats. ‘Er zitten nog bloedvlekken op van het vlees dat ik bereid heb. Laat me even een doek pakken.’ Hij poets de bank, waarna Mette en Willem op het bankje gaan zitten. Zodra iedereen aan tafel zit, pakt de kluizenaar vier soepkommen, die hij vult met de heerlijk geurende soep met het malse vlees.
‘We zijn hier niet om te eten…’
‘Het wordt steeds kouder. Jullie moeten goed voor jezelf zorgen.’
‘We zijn alleen op zoek naar mijn zoon.’
‘O ja, de jongen, die heb ik gezien…’ Hij zet de kommen op tafel. ‘Eet, eet.’ Hij wacht met vertellen totdat ze alle drie zijn begonnen met eten.
‘Smaakt erg goed,’ merkt meneer Ten Broeke op. ‘Wat is het voor vlees? Varken?’
De oude man geeft zijn recepten liever niet prijs. ‘Ik zag die jongen van je hout sprokkelen in het bos.’
‘U bedoelt gisteren?’
‘Zeker! Toen was ik zelf ook aan het werk.’ Hij stopt een stuk vlees met een druppeltje soep in mond. En terwijl hij nog op het vlees kauwt, gaat hij verder: ‘Maar vanmorgen zag ik hem ook.’
Mette stopt met eten, Willem kauwt alleen nog een stuk vlees weg en houdt daarna ook stil. Ten Broeke eet verder als een hond die jus over zijn brokken krijgt.
‘Waar?’ vraagt Mette ernstig.
‘Dezelfde plek als gisteren. Hij was opnieuw hout aan het sprokkelen.’
‘Die onzin weer?! Ik heb hem gisteren gezegd dat de Heer hem niet vraagt te werken op zondag.’
‘Werken voor de Heer? Hebt U hem dat gevraagd?’ Mette vindt het moeilijk haar zoon niet te geloven.
Werken voor m… voor de Heer? Op de dag van de Heer?’ De oude man is geïrriteerd. ‘Hij zou in de kerk moeten zitten.’ Hij kijkt de ouders aan alsof hij wil zeggen: En jullie ook!
‘Niemand werkt op zondag!’ weet Ten Broeke. ‘Anders word je nog gestraft.’
‘Alleen als men daarmee een ziek of zwak persoon helpt dan zie ik… ahum… ziet Hij het door de vingers. Maar daar was in dit geval geen sprake van.’
Mevrouw Willems is stil van verdriet. Ze durft niet goed in tranen uit te barsten. Vooral niet in bijzijn van de Heer. Ze is dankbaar hier aan tafel te zitten en Zijn soep te mogen eten, maar ze krijgt geen hap door haar keel. Ze had het verpest. Haar kleine Hanne leefde vaker in zijn fantasiewerelden. Hij was er nog niet klaar voor om met de grote jongens mee te gaan.
‘Waar kan ik hem vinden?’ Ze gaat er al bijna van uit dat er ergens een graf moet zijn.
‘Ik heb hem weggestuurd van de Aarde om te dansen op de maan voor eenieder te zien in het vollemaanlicht, zodat geen enkel ander kind dezelfde fout zal maken. Als hij daar genoeg tijd heeft doorgebracht, en zich vooral goed gedraagt, dan mag hij weer terugkeren naar de aarde. Maar ik vrees dat het dan voor jullie te laat zal zijn hem weer te zien.’
Het blijft even stil. Een penetrante lucht, zoals ze die vanmorgen ook bij Ten Broeke rook, vestigt de aandacht van Mette op de deur achter de oude man, de deur naar de werkplaats.
‘Wat is er achter die deur?’ vraagt ze.
De oude man opent eerst de deur naar de slaapkamer en laat die zien. ‘De andere deur is naar de werkplaats, waar ik zojuist het vlees heb voorbereid. Het is er nog niet opgeruimd, dus ook niet heel fris om te tonen tijdens het eten. Maar ga gerust kijken.’
‘Nee, dank je. Ik had gewoon een vreemd voorgevoel. Het zal wel niets zijn.’ Mevrouw Willems staat op. ‘Ik ga liever naar huis.’ Ze loopt naar de voordeur, kijkt ernstig naar haar man, die net zijn laatste hap soep neemt, en Ten Broeke, die bij de soepketel staat om bij te schenken. ‘We zullen elke dag voor zijn spoedige terugkeer bidden. En geen enkel bezoek aan de kerk meer overslaan.’ Op haar stoïcijns droevige gezicht valt een sprankeltje hoop af te lezen. ‘Bedankt voor Uw gastvrijheid!’ Ze verlaat de hut. De twee soepliefhebbers volgen haar.
De oude man lacht vriendelijk terwijl hij ze uitlaat. Een lach die, naarmate zijn gasten verder van de hut verwijderd raken, langzaam verandert in een gemene grijns. En zodra ze uit beeld zijn verdwenen en hij nog een paar minuten heeft gewacht om zeker te zijn dat er niemand terugkomt, loopt hij naar achter om de werkplaats schoon te maken. Zijn werktafel zit nog helemaal onder het bloed.
Die avond is het vroeg donker. Aan de hemel verschijnt een volle maan. De oude man heeft zijn stoel bij het raam gezet. Zijn buikje is vol en hij heeft een groot glas wijn ingeschonken. De grijns is nog steeds niet van zijn gezicht verdwenen. Hij kijkt naar de hemel. Een dunne wolkenlaag schuift onder de maan voorbij. Schaduwvlekken voor het felle licht van de maan. De kluizenaar weet niet wat kraters zijn, maar wel dat sommige plekken op de maan altijd donkerder zijn. Als hij lang blijft staren naar de maan dan is het, door het samenspel van de wolken en de kraters, net alsof er schaduwen dansen op de maan. Met een grijns van opluchting en een volle maag van overwinning toost hij met de maan op de naïviteit van de mens.
Mette en Willem hebben thuis een gedenkplaats ingericht voor Hanne. Het inrichten ervan heeft vooral Mette heel wat tranen gekost. Bij het invallen van de avond zit ze op haar knieën, met haar handen in elkaar te bidden. Tijdens haar gebed verschijnt de volle maan. Haar verdriet maakt langzaam plaats voor hoop en toewijding.
Na het gebed gaat ze met Willem voor het raam staan. Ze houden elkaar stevig vast terwijl ze naar de hemel staren. Ze zien dezelfde wolken en dezelfde maan als de kluizenaar, maar zij zien geen kraters of schaduwen. Zij zien hun kleine jongen dansend op de maan. De wangen van beide ouders glinsteren in het maanlicht.
Het eerste jaar bidden ze iedere dag. Daarna neemt het langzaam af tot een gebed bij iedere volle maan. Dat blijven ze volhouden. Jaren later komt vader het eerst te overlijden. Moeder leeft nog tien jaar meer. Op haar sterfbed kijkt ze uit het raam. ‘Nu kan het niet lang meer duren voor je eindelijk terug zal keren.’ En terwijl ze haar zoon nog steeds ziet dansen, geen volle maan heeft hij overgeslagen, sterft ze vol vertrouwen dat hij na haar dood eindelijk een gelukkig leven zal leiden.