De Vliegende Hollander
Een jonge serveerster zet een grote pul bier op de tafel in de donkere hoek van deze kroeg. Hiervandaan heeft de kapitein goed overzicht op zijn drinkende, feestende bemanning, blij dat er de komende dagen geen schip de haven zal verlaten. Ze lacht vriendelijk, maar zegt niks. De kapitein praat liever niet, weet ze. Hij bromt dan ook als blijk van dank. Na de kapitein te voorzien, gaat ze weer rond met bladen bier voor de bemanning. Voor de kapitein is Pasen een onnodig wachten. Voor de bemanning een feest voor een of andere christelijke god. Voor beide een goede reden dus om te drinken.
De deur zwaait open. Een in een lange jas omsluierde gedaante wordt aan de deur naar binnen getrokken. De regen straalt bijna haaks naar binnen en de wind weerhoudt de gedaante ervan om de deur te sluiten. Een gevecht tussen de adem van Poseidon en de kracht van een doorweekte man.
‘Taranis!’ roept een van de bemanningsleden. Hij balt zijn vuist en rent tegen de regen in, zet zijn schouder tegen de deur en ramt deze dicht.
‘Taranis!’ roept nu de hele kroeg. Zelfs de kapitein heft zijn glas, hoewel hij nog steeds niks zegt.
De doorweekte man trekt zijn jas uit en loopt, met soppende laarzen, naar de tafel van de kapitein.
‘Willem,’ groet hij, terwijl hij plaatsneemt. Hij wenkt naar de serveerster, die voor hem een pul bier inschenkt. Willem neemt een slok en kijkt ongeduldig naar zijn ongenode gast. Die neemt zijn tijd door zich eerst van zijn laarzen te ontdoen, deze bij het vuur te zetten en vervolgens te wachten op zijn bier. Pas na zijn eerste slok steekt hij van wal.
‘Zou je ze wel zoveel laten drinken?’ vraagt hij met het schuim nog op zijn lippen.
‘Hoezo?’
‘Een dronken bemanning vaart niet heel snel. Dadelijk lopen ze al bij het afmeren vast.’
‘Het stormt.’
‘Dus?’
‘En het is Pasen.’
‘Dan zal het lekker rustig varen zijn.’
Willem kijkt naar zijn bemanning. Het bier lijkt bijna niet aan te slepen. De uitbater zweet, maar geniet zichtbaar. Heel even lijkt zijn gast zich er bij neer te leggen. Als Willem zich echter weer tot zijn tafelgast wendt, ziet hij twee vurige ogen hem direct aanstaren.
‘De Engelsen zijn zich al aan het klaarmaken om uit te varen. Die zijn niet bang voor wat miezer en wind. Die zitten geen bier te drinken omdat een god een feestje geeft.’
Willem slaat zijn vuist op tafel. ‘Het is Pasen! De bemanning heeft recht…’
‘Je bemanning is een stel criminelen en huurlingen.’ Er gaat een kalmte uit van de aandeelhouder die Willem het zwijgen oplegt. ‘De meesten spreken geen Nederlands en geloven niet eens in de christelijke god. Taranis, die is toch Germaans of Slavisch?’
‘Keltisch.’
‘Godverdomme, je weet het nog ook!’ Hij gaat over tafel hangen. ‘Zorg er maar voor dat je eerder bent dan de Engelsen. Ik wil mijn oogst.’
De kapitein bekijkt zijn steeds dronker wordende bemanning. Het zou niet de eerste keer zijn dat ze half bezopen aan dek zouden staan. Zelfs dronken werken de meesten nog prima.
‘Coenraad… je kunt toch niet werkelijk menen dat we uit moeten varen?’
‘Denk jij dat ik uit Amsterdam naar hier ben gereisd om je níét uit te zien varen?!’
Coenraad trekt zijn laarzen weer aan en slaat zijn jas om. ‘Vergeet niet dat die pinas van je nog steeds niet is afbetaald. Als je deze race niet wint, heb ik jou niet meer nodig.’ De aandeelhouder stapt naar buiten, de storm in. De kapitein blijft verslagen achter.
‘Miezer en wind,’ moppert Willem, waarna ook hij van tafel gaat. Voor hij de kroeg buiten gaat, roept hij de stuurman bij zich. ‘Maak het schip gereed, we varen uit om zes uur.’
‘Maar kapitein…’
Willem blijft niet wachten op de rest van het protest.
De volgende morgen komt de bedrijvigheid op het schip maar langzaam op gang. De eersten zijn de bemanningsleden die gisteravond niet in de kroeg maar bij hun familie Pasen hebben gevierd. Dat zijn er niet veel, hooguit veertig. Willem bekijkt vanaf het bovendek hoe de stuurman de braafste bemanningsleden aan het werk zet. Hij zoekt ongeduldig met zijn ogen de kade af naar meer van zijn bemanning.
Na de eerste groep komt de groep met een kater. Pas als allerlaatst volgt de groep die het niet nodig vond om naar bed te gaan. Zij zijn de nacht door blijven feesten en drinken. Al zingend en joelend komen de laatste twintig mannen naar het schip. Ze helpen niet met spullen aan boord brengen, maar duiken meteen het overloopdek in om te slapen.
De storm van gisteravond is nog niet helemaal weggetrokken.
‘Neptunus,’ merkt de stuurman op.
‘Begin jij nu ook al?’ zegt Willem. ‘Het is maar wat miezer en wind.’
‘Nu nog wel. Hij is nog niet boos. Dat komt nog wel als een schipper zijn storm denkt te slim af te zijn.’
De kapitein loopt weg. Hij heeft wel wat belangrijkers aan zijn hoofd dan een stel overprikkelde goden. Alleen Hermes zou hem nu in goden kunnen laten geloven. Willem heeft haast.
‘Licht het anker en hijs de zeilen!’ schreeuwt hij.
De veertig nuchtere en honderd mannen met kater zorgen ervoor dat Willem van der Decken met zijn pinas op Paasochtend de haven van Terneuzen uit vaart. Ze zijn op weg naar Batavia met als enige tussenstop de Tafelbaai.
De eerste dagen verlopen al minder voorspoedig dan normaal. De wind is sterk gebleven en zo nu en dan is er een onweersbui. Het lijkt voorlopig nog niet op te klaren. De golven zijn stevig, waardoor vooral de kroeglopers hun maag moeilijk onder controle krijgen. Om in slaap te komen grijpen de meesten weer naar de fles, waardoor ze de dag erna de rand van het schip weer opzoeken. In de dagen die volgen lijken de golven te groeien. En met de golven groeit ook het aantal bemanningsleden dat naar het overloopdek verdwijnt.
‘Kapitein!’ klinkt het zacht door het ruisen van de wind.
‘KapiTEIN!’ Nog steeds hoort Willem vooral water klotsen en wind suizen.
De stuurman loopt het bovendek op, terwijl Willem aan het roer staat.
‘KAPITEIN!’ Nu luid en duidelijk. Willem kijkt op.
‘De bemanning is niet meer in beweging te krijgen! We hebben ze nodig!!’
Een grote golf slaat tegen de zijkant van het schip. Water stroomt over het dek. De mannen die nog wel op het dek aanwezig zijn, houden zich stevig vast, hoewel een aantal door het water tegen het dek aan wordt gesmeten. Willem loopt voorzichtig naar beneden, zich voortdurend vasthoudend aan de rand van het schip of een touw dat hij tegenkomt. De lucht trekt verder dicht, het ziet zwart.
‘Vellamo!’
‘Rán!’
Willem hoort twee groepen tegen elkaar schreeuwen, maar de enige woorden die hij herhaaldelijk hoort zijn Vellamo en Rán. Finnen en Noren, denkt hij, waarna hij gehurkt en gebukt naar de onruststokers toe loopt. Het ruikt hier naar kots, drank en pis. Verderop in het donker liggen twee groepen dronkenmannen. Ze hebben allemaal een fles rum in de hand of aan de mond. Tussen het drinken door schreeuwen ze onverstaanbare dingen naar elkaar. Als er een grote golf tegen het schip aan slaat, rollen ze allemaal een kant op. Geheel synchroon drukken ze hun hand tegen de opening van de fles, zodat er niets verloren gaat, maar daardoor hebben ze geen hand meer vrij om zich vast te houden.
Rolt er een Fin tegen een Noor dan wordt die met grof geweld weggetrapt. De Fin kan zich alleen met zijn voeten proberen af te weren. De fles rum houdt hij voor zijn gezicht, zodat er niemand tegen zijn hoofd aan trapt. Verspilling zou immers zonde zijn. Rolt er vervolgens een Noor naar de Finnen dan wordt de Noor zijn rum aan zijn eigen mond gezet. Hij drinkt zo snel hij kan, om niet te verdrinken. De rum loopt in zijn neus en de Noor snuit de drank naar buiten, totdat zelfs zijn maag protesteert en de Finnen spijt krijgen van deze marteltechniek.
‘Dus daar komt die walgelijke geur vandaan.’ Vanuit het donker verschijnt aan de bemanning nu het figuur van de kapitein.
Het is op slag stil. Alleen de half verdronken Noor snakt nog luidkeels naar adem tussen het spugen door. De aanhoudende deining van het schip helpt hem niet te stoppen.
‘Ik verwacht iedereen op het dek binnen tien minuten. Zolang de zee zo tekeergaat, heb ik jullie allemaal nodig.’
‘Vellamo,’ wordt er gemompeld, terwijl de Finnen de flessen rum wegstoppen.
‘Rán,’ antwoorden de Noren, die net als de Finnen aanstalten maken om op te staan.
‘En laat die goden maar hier beneden. Op het dek strijden we samen…’ spreekt de kapitein, waarna hij weer naar boven gaat en binnensmonds zijn zin afmaakt ‘… tegen miezer en wind.’
Naarmate de drankvoorraad slinkt, verbetert de sfeer aan boord van het schip. De storm lijkt over te zijn gewaaid en het vaarwater is tot ver voorbij de hoorn van Afrika rustig. Hier en daar steekt er een nare wind op, maar niets zo grillig als de eerste paar dagen. Het enige wat niet verbetert, is de voedselvoorraad. De kapitein maakt zich zorgen. Er zijn nog tenminste twee weken te gaan voor deze kan worden aangevuld in de Tafelbaai.
Willem staat achter het roer. Hij ziet toe hoe de stuurman de bemanning instrueert. De komende weken gaan we op straf rantsoen.
‘Er is de eerste dagen en weken meer gegeten en gedronken dan verwacht, daardoor…’
‘Door het gezuip van die heidense klootzakken!’
‘Je bent anders zelf ook niet bepaald aan het vasten geweest.’
‘Wie vast er nou na Pasen!?’
‘Ach donder op! Je weet precies wat ik bedoel. Je hebt net zo goed staan zuipen in de kroeg en daarna ben je even vrolijk jezelf in slaap gaan drinken.’
‘Hoe verdwijnt het eten als ik lig te slapen? Jullie hebben nachtenlange vreetbuien gekregen door al het zuipen. Dat was niet om te slapen, maar pure vraatzucht.’
Waar vanmorgen de hele bemanning elkaar nog hielp, staan ze nu als groepen weer tegenover elkaar. Fransen, Polen, Noren uit Denemarken en Finnen uit Zweden, enkele Pruisenaren, Ieren die onder Engels gezag uit willen komen, Italianen uit een van de vele staten, Grieken uit het Ottomaanse rijk, Oostenrijkers en Hongaren uit de Habsburgse monarchie, en Nederlanders. Niet veel later vliegt de Renaissance aan watergoden weer over het dek, meestal even temperamentvol als de bemanning van dit schip.
‘Stilte! Stilte!’ roept de stuurman. ‘Als we elkaar de koppen inslaan, hebben we morgen misschien meer te eten, maar bereiken we de kaap zeker niet.’
Het werkt. Diezelfde avond staat de hele bemanning, van klein naar groot, in de rij bij het kombuis om een afgemeten portie eten in ontvangst te nemen.
De dagen voor aankomst in de kaap zijn stil. Het water is kalm, er is bijna geen golf te zien, en de wind is sterk maar zacht. De zeilen staan bol en het schip glijdt door het water. De zon droogt het dek waar ook de bemanning ligt te rusten. Er wordt nauwelijks gesproken tot tevredenheid van de kapitein. Wat hem betreft is er deze reis al meer dan genoeg gesproken. Alleen de stuurman is nerveus als hij samen met de kok op de kapitein af loopt, die in gedachten lijkt te zijn verdwenen aan het roer op het bovendek.
‘Kapitein.’
Zo stil als de zee en zo vastberaden als de wind lijkt de kapitein niet uit zijn concentratie te krijgen te zijn. Alleen het temperament van Neptunus zou de zee doen opschudden en de hemel laten kraken.
‘Zeg het hem.’ De stuurman duwt de kok naar voren.
‘Excuses, mijnheer.’ Hij durft niet op te kijken. ‘Kan het wellicht zo zijn dat we de voorraad verkeerd hebben ingeschat?’
Het was Willem die de voorraad gecontroleerd had, voordat het rantsoen werd ingevoerd, daar was verder niemand bij betrokken geweest. De kapitein verlegt heel even zijn aandacht en bekijkt de kruin van de kok. Een grote golf slaat onverwacht tegen de romp van het schip. Een plons water maakt de borst van de bemanning nat. Het zonnebaden is voorbij.
‘Nee,’ antwoordt Willem.
De kok durft niet langer te blijven en haast zich terug naar de kombuis.
‘Maar kapitein…’ gaat de stuurman verder.
Willem kijkt niet op; het water blijft kalm.
‘We hebben meer dan genoeg voorraad. De kok liet het me zojuist nog zien. Je moet een inschattingsfout hebben gemaakt. Als we op rantsoen blijven, hebben we nog zeker twee maanden. Waarom niet een feest geven ter ere van onze aankomst in de Tafelbaai? Dan hoeven we niet te zeggen dat er een fout is gemaakt. We vullen gewoon aan en varen door. De moraal zal behoorlijk toenemen. Dan zijn we na een korte stop ook snel weer op weg.’ Sneller op weg betekent sneller in Indië. Het zou als muziek in de oren van de kapitein moeten klinken, zo dacht de stuurman.
Aan de hemel verzamelen steeds meer wolken. De zon raakt erdoor bedekt, hoewel het er nu nog niet naar uitziet dat er een storm ophanden is.
‘Versober het rantsoen.’
‘Wat een onzin! We zijn er over drie dagen!’ Hij verwacht een uitleg, ruzie, een gevecht van argument, of desnoods met vuisten, maar iedere reactie blijft uit. ‘Vanavond is het feest,’ besluit de stuurman. En met die opmerking verlaat hij het bovendek om het goede nieuws met de bemanning te delen. Het is de eerste keer dat hij tegen kapitein Van der Decken in is gegaan, maar het voelt goed. Hij weet zeker dat de kapitein zal bijdraaien zodra hij ziet wat deze keuze met de moraal van de bemanning doet.
De zee en de lucht blijven kalm terwijl de pinas van Van der Decken al feestend richting de haven van de Tafelbaai drijft. De wind doet het zware werk en de kapitein blijft vastberaden aan het roer staan. De kok en zijn hulpjes blijven eten en drinken aanslepen. In drie dagen tijd wordt het hele rantsoen van de afgelopen twee weken meer dan dubbel ingehaald.
‘Waar komt toch al dat eten opeens vandaan?!’ wordt in het begin nog opgemerkt.
‘Volgens mij heeft er iemand geen honger meer,’ antwoordt de stuurman dan, waarop de ander plots zijn vraag vergeet.
Als de haven eindelijk in zicht is, zwengelt het feest nog eens extra aan.
‘Alles moet op!’ wordt er geroepen en meteen duiken er tien mannen het ruim in.
Als ze terugkomen lijkt het feest te zijn doodgebloeid. Alsof ze er te lang over hebben gedaan om drank te halen. Iedereen lijkt alweer nuchter met een kater bovendien. Aan bakboord staat een hele rij aan de reling over het water te kijken. De haven is duidelijk te zien. Toch komt hij niet dichterbij. De kapitein, zo standvastig als de wind, lijkt de haven voorbij te varen. Waar zojuist nog iedereen in een polonaise verenigd over het dek marcheerde, is nu iedereen weer tegen elkaar gekeerd. Alle goden, alle culturen krijgen de schuld.
Maar er is niemand die het direct opneemt tegen de man aan het roer, Willem van der Decken. Alleen de stuurman probeert de bemanning te kalmeren. Maar als dat niet lukt, stapt hij op de kapitein af.
‘Waarom minderen we geen vaart? Waarom meren we niet aan?’ En zonder te wachten op een antwoord dat toch niet komen gaat, zegt hij: ‘Keer om!’
Willem heeft veel geduld met zijn stuurman, zo vindt hij zelf, maar hij laat zich ook door hem niet de dienst uitmaken. ‘Ik sta aan het roer.’
Hij laat een stilte vallen. De stuurman, overvallen door dit vreemde antwoord, weet niet meteen wat hij moet zeggen. Als hij kort daarna naar lucht hapt om te reageren, gaat Willem verder: ‘Ga naar beneden, kalmeer je bemanning en zorg ervoor dat ze hun roes uitslapen. Ik heb ze nodig als er weer een storm opkomt.’
‘Maar kapitein…’ de stuurman durft zijn zin niet af te maken. Willem staart voor zich uit en negeert hem. Zijn ogen zijn diep blauw gekleurd, ze lijken met de minuut donkerder te worden. De stuurman geeft zijn protest op en vertrekt.
‘Je zei?’ De stem van Willem klinkt zwaar, diep. Alsof het duister van onder de zee zijn stem heeft gevormd. Precies op dat moment trekken de wolken samen en zet er een stevige wind op.
‘Niets, kapitein.’ Hij kijkt nog een keer om en ziet zijn oude vriend voor zich uit staren.
Als hij de bemanning heeft kunnen verzekeren dat de kapitein weet wat hij doet, stapt hij in alle ernst op de chef af.
‘Hoeveel is er nog te eten?’
Ze lopen samen naar het ruim.
‘We hebben nog zeker een maand.’
De stuurman gaat zitten op een kist en kijkt naar de grote hoeveelheid lege kisten. Hij zucht en verdwijnt in gedachten.
‘Waar meren we aan?’
‘Niet.’
‘Hoezo, niet?’ De chef begint door het ruim te ijsberen. ‘Maar… maar…’ stamelt hij. ‘Al zouden we nu op rantsoen gaan dan redden we het niet tot Batavia.’
‘Ik weet het.’
‘Nou… doe er dan wat aan!’
‘Wat wil je dat ik eraan doen? De kapitein heeft zijn zinnen erop gezet, dus we varen door.’
De chef gaat voor de stuurman staan en kijkt op hem neer. ‘Je moet ingrijpen! Hoor je me?! Het móét!’
Als de stuurman op dat moment zijn hoofd neerslaat, pakt de chef hem uit frustratie bij zijn strot en drukt hem tegen de muur.
‘Wil je de helft van de bemanning overboord gooien!?’
‘Je hebt gelijk.’ Een traan springt in zijn ogen.
Chef zet zijn stuurman weer op de grond. ‘Hier.’ Hij drukt een fles wodka in zijn handen. ‘Ik snap dat het je vriend is, maar dit kan niet langer zo. Hij moet begrijpen dat er belangrijkere dingen zijn dan geld verdienen en investeren.’
Twee flinke teugen later heeft de stuurman zijn moed hervonden. ‘Taranis,’ mompelt hij. ‘Voor miezer en wind.’
Daar staat hij dan op het bovendek tegenover de kapitein aan de achterkant van het roer. Hij kijkt hem recht in zijn ogen aan. Nog donkerder blauw dan zo-even. Zijn pupillen zijn bijna niet meer te onderscheiden van de rest van zijn oog. De kapitein staart terug maar lijkt de stuurman niet aan te kijken.
‘We moeten terug!’
‘Nee!’ En met die nee trekken de wolken nog verder samen. De lucht kleurt grijs, bijna zwart.
De stuurman zet een stap naar achter. Hij is van plan om te draaien, terug te gaan. Een krachtige windvlaag haalt hem uit zijn gedachte. Hij moet zich vastgrijpen aan het roer, iets anders heeft hij niet. Ook de kapitein houdt zich stevig vast. Ze drukken hun lichamen zo dicht mogelijk tegen het roer, dus staan ze nu met de neuzen bijna tegen elkaar.
De stuurman heeft zijn moed hervonden en bij de kapitein fonkelt licht in de ogen. Het duister lijkt te zijn doorbroken, dus grijpt de stuurman deze kans om zijn vriend te overtuigen. ‘Keer om, Willem. Er is te weinig eten, te weinig drinken. Als we nu omdraaien verliezen we niet veel tijd. We zullen nog steeds de eersten zijn. Ben maar niet bang.’
Het lijkt te werken. In de ogen van Willem groeit het licht. Toch gaat de storm niet liggen. De wolken trekken nog verder aan. Ze schuren langs elkaar, waardoor de hemel begint te rommelen. Een stortvloed aan regen valt neer op het schip. Willem grijpt zijn vriend bij de kraag en trekt hem naar zich toe.
‘Geen god… geen miezer of wind houdt me tegen,’ spreekt hij weer met die zware onderzeese stem. ‘De kaap vaar ik om!’
Nu pas ziet de stuurman dat het licht in Willems ogen geen verlichting maar een bliksemschicht is, die net als in zijn ogen nu ook uit de hemel slaat. Willem grijpt zijn stuurman nog strakker vast en neemt hem mee naar de rand van het schip. De bliksem slaat vlakbij op het water in.
‘Niemand houdt mij tegen!’ roept de kapitein, terwijl hij met een vloeiende beweging de stuurman overboord het water in werpt. De storm zet nog een keer stevig aan en de pinas van Van der Decken laat haar stuurman ver achter zich.
In de dagen die volgen is het kalm op het schip. Niemand durft het oordeel van de kapitein nog te betwisten. De bemanning is braaf op rantsoen ondanks dat men weet dat het niet genoeg gaat zijn. Sommige mannen slaan het eten een dag of twee over in de hoop gezamenlijk Batavia te halen.
Hoe verder ze de Tafelbaai en hun stuurman achter zich laten, hoe kalmer het water lijkt te worden. Net als de bemanning lijkt ook het water niet van zich te willen laten horen. De ogen van de kapitein zijn nog altijd diep blauw, vervuld van vergeten goden uit de diepzee.
De Slavische mannen durven hem niet meer in de ogen te kijken, omdat ze geloven dat de dood zich heeft verenigd met het water in de ogen van Van der Decken. Veles, krijgt de schuld, god van de zee en onderwereld. Ook de Grieken fluisteren over witte schimmen die zichtbaar zouden zijn in zijn ogen, zoals ze zwemmen in het water van de Styx. De diepzee in Van der Decken zijn ogen zou de poort naar de onderwereld markeren. De kapitein als veerman naar de dood.
Langzaam maar zeker vormt er een waas op de ogen van de kapitein. Een glazige waas als bij de ogen van een blinde, met daarachter de duistere diepte. En naarmate die waas toeneemt, trekt er een dichte mist over de oceaan, tot zover de bemanning kan kijken. En in die mist blijft de bemanning stil maar ijver.
Hijsen, strijken, bijstellen. Knopen, schrobben, wachtlopen. Dag in, dag uit, zonder te klagen, werkt de bemanning door. Geen strijd tussen goden of ruzie op het dek. Zelfs de rantsoen wordt braaf uitgedeeld, terwijl de voorraad al weken terug is opgeraakt. Lege bakjes en bordjes. Ze blijven eten. Hallucinaties en lucht.
En de mist wordt dichter en dichter. Totdat deze zo dik is dat ze de lichamen van de bemanning overeind houdt. Uitgemergeld, rottend en allemaal reeds overleden worden ze door de dichte mist in leven gehouden. Ze werken dag in, dag uit. Willem verlaat het roer niet, overtuigd dat ze ieder ogenblik in Batavia kunnen arriveren. In werkelijkheid vaart hij rondjes, niet een keer zien ze het einde van de mist.
Langzaam maar zeker verdwijnt de pinas onder water. De kapitein ziet alleen nog de weg naar de diepzee.
Coenraad hoort het nieuws pas twee jaar later wanneer hij opnieuw in Terneuzen staat. Hij heeft een nieuwe pinas gekocht en een nieuwe kapitein ingehuurd. Hij zit tegenover de jonge enthousiasteling in dezelfde kroeg, aan dezelfde tafel als waar hij zat met Van der Decken.
Varen rond de kaap is alleen voor de gekken in deze tijd. Wie voorbij de Tafelbaai en Kaap de Goede Hoop vaart en een dichte mist ziet verschijnen, moet direct rechtsomkeer maken. De kans is klein, maar heel misschien, ontkom je dan nog aan de dood. Want te midden van de mist duikt een pinas op, van onderwater, die zal zweven boven het water. De matrozen uitgemergeld, zwijgzaam, maar zeer ijver. En de kapitein zal je aanstaren met ogen van pure duisternis.
Ze zullen op je toe varen. En bij het zien van de levenden raken ze bedwelmd door vraatzucht. Ze schreeuwen om lang vergane goden, die ze de kracht geven om schepen te doen zinken. Waarna De Vliegende Hollander, zoals het schip nu wordt genoemd, weer de diepzee in verdwijnt. De kapitein laat geen concurrent Batavia bereiken. Hij moet en zal de eerste zijn.
Coenraad verwerpt de fabel meteen. Het is maar bijgeloof. Hallucinaties uit angst voor wie te lang op zee is.
‘Wat denkt u dan dat ik tegen zal komen bij de kaap, waar zovele schepen zinken?’ vraagt Coenraads nieuwe kapitein.
‘Niets dan miezer en wind. De rest is bijgeloof.’