Stilte

1.

‘Weet je al of je mee mag naar Bryan?’ Met een potje pesten en een zak chips proberen we de tijd te doden. Het is het achtste tussenuur van de week en de dag duurt nog lang.

‘Nog niet, ik heb van mijn ouders geen reactie.’

‘Wat boeit het. Kom gewoon!’

‘Ze vragen of er drank is…’

‘Gewoon zeggen dat er niets is.’

Ik reageer op het appje van mijn vader.

Weet je het zeker?

Er is echt geen drank…

‘Ik mag mee van mijn vader.’

‘Top, we verzamelen om acht uur bij Karin thuis.’ De bel gaat. Iedereen staat op, pakt zijn spullen en gaat naar het lokaal. Het gesprek gaat over wat ze aantrekken. Het koelt ‘s nachts best wel af. Veel meiden zeggen dat ze een rokje aandoen en op de fiets een joggingbroek erover aantrekken. Ik denk dat ik gewoon een spijkerbroek aandoe. Maar als iedereen een rokje aandoet dan moet ik dat misschien ook doen. In de groepsapp wordt een poll gestuurd. De opties zijn: jurkje, rokje, spijkerbroek, trui, T-shirt of haltertop. Als ik heel lang wacht met reageren kan ik mijn outfit aanpassen op wat de rest doet.

 

Meneer De Vries laat weten dat hij wil beginnen met de les. We hebben Wiskunde. Een vak dat me totaal niet interesseert. Hij begint met herhaling van stof uit de tweede. Terwijl ik met mijn pen over het papier kras, hoor ik de jongens over het feest.

“Heren!” Meneer De Vries sluit zijn ogen en ademt diep in. Zo kijkt hij altijd als hij geïrriteerd raakt. “Hoe vaak moet ik nog vragen om jullie aandacht?’.

Op het moment dat de jongens worden aangesproken duurt de les nog maar tien minuten. De klas begint met het wegstoppen van hun pennen en potloden. De docent zegt er iets van en gaat verder met de nietszeggende stof. De eerste mensen staan op en lopen naar de deur. Zodra de bel gaat, sprinten ze het lokaal uit. Ik niet. Ik ben altijd als laatste weg.

‘Doei meneer!’

‘Anna! Ik wou je nog vragen hoe het met je moeder is… Je vader vertelde tijdens de vergadering dat ze voortaan aan de medicatie zit?’

‘Oh het gaat wel hoor. Ze is alleen veel wakker en weg.’

‘Hoe is dat voor jou? En voor je vader?’

‘Voor mij is dat prima. Ze is toch niet thuis wanneer ik er ben. Hoe het voor papa is, weet ik niet.

‘Aha, focus je maar vooral op de leuke dingen!’

‘Zal ik doen. Doei meneer!’

‘Doei Anna, zorg goed voor jezelf  en groetjes aan je ouders!’

‘Komt goed!’

 

Om acht uur is iedereen bij Karin thuis. Ik trek mijn jas uit en er komt een simpele haltertop tevoorschijn. Niets bijzonders. Hij is wit en komt tot net over mijn heupen. Ik hoor vanuit de woonkamer veel gelach een gepraat. Karin leidt me de weg naar de keuken en probeert een kurk uit een fles rosé te trekken. Als dit eindelijk gelukt is schenkt ze een glas voor me in. Mila en Sophia komen de keuken ingewandeld. Bij het zien van mij komen ze al gillend op me af. Ze zijn normaal nooit zo enthousiast om me te zien. Sophia komt op me af gerent en geeft me een knuffel. Als ze loslaat stoot ze met haar schouder tegen mijn arm aan. De inhoud van mijn glas zit overal waar het niet zou moeten zitten. De meiden kijken elkaar aan en beginnen te lachen. Ik pak de eerste en beste theedoek die ik zie liggen en dep mezelf droog. De vlek zit precies bij mijn borsten. Mijn hoofd wordt met de seconde roder en roder. Ik lach om niet te laten merken dat ik me schaam. ‘Dames we moeten gaan. We kunnen de jongens niet te lang laten wachten!’.  Karin heeft ineens wel heel veel haast om weg te gaan.

‘Karin, kan ik niet misschien een shirt van jouw lenen?’ 

‘Anna, die vlek valt niet op hoor,’ zucht Karin. ‘Ben maar niet bang dat mensen naar je zullen kijken.’ Sophia en Mila beginnen nog harder te lachen. Ik voel hoe mijn ogen zich langzaam beginnen te vullen met tranen. Dat niemand naar me kijkt is niets nieuws, maar dat ze het zo zegt, dat steekt. We stappen op de fiets richting het feest. De lucht had dezelfde kleur als een diep meer. Zo donker dat ik erin kan verdwalen. De bomen torenen boven me uit en sluiten al het licht van de maan buiten. Als ik alleen had moeten fietsen was ik nooit heelhuids aangekomen. Dan was ik sowieso verdwaald. Eenmaal daar beginnen Karin, Mila en Sophie zich om te kleden. De joggingbroeken en hoodies gaan uit en de topjes met lage V-halzen, spaghettibandjes  en rokjes die net lang genoeg zijn komen tevoorschijn.

Als we de woonkamer binnenkomen, hangt er al een geur van gemorst bier in de ruimte. De lichten branden laag en de muziek voel ik door al mijn botten heen dreunen. Jongens lopen als kwijlende honden achter de meisjes aan en schenken telkens maar bij. Niet alleen onze klas is er, maar ook de andere klassen en een aantal mensen dat vorig jaar hun diploma heeft gehaald. Ik waan mezelf een weg door de menigte heen en het bier vliegt in het rond.  

Ik voel een paar ogen in mijn rug en draai me om. Bryan staat achter me. Hij kijkt naar me, zijn wenkbrauwen licht gefronst en zijn ogen donker. Hij komt mijn kant op en houdt een glas gevuld met bier voor mijn gezicht. Zijn groene ogen kijken diep in de mijne . Ik pak het glas vast terwijl hij me aan blijft kijken. Zijn ogen dwalen af van mijn gezicht naar mijn shirt. Hij laat in eerste instantie het glas niet los, hij trekt er een beetje aan waardoor ik een stap dichterbij zet. Hij laat het glas los en proost met me. terwijl dat hij dit doet is zijn blik nog gefixeerd op mijn shirt. Ik schaam me al genoeg en merk dat mijn wangen rood beginnen te worden. Bryan is een knappe jongen. Hij is lang heeft mooi ligt krullend haar en weet precies wat hij doet. Dat maakt zijn aandacht allesbehalve vervelend. Hij heeft een reputatie binnen de school. Een echte man die als hij een meisje wil in een echte gentleman verandert. Hij heeft een kleine lach op zijn gezicht.

‘Er zit iets op je shirt.’

Denkt hij dat ik al zo zat ben dat ik niet doorheb dat mijn shirt vies is? Hij begint te lachen en pakt een doekje van het aanrecht af. Voordat ik er mee in kan stemmen begint hij met het doekje op de vlek te deppen. Ik deins achteruit. Zodra ik mijn mond opendoe om er iets van te zeggen, onderbreekt hij me.

‘Zeg maar niets je gezicht spreekt boekdelen. Sorry. Wil je een shirt lenen?’ Ik merk dat mijn wangen weer rood worden, niet van schaamte maar van het idee dat ik zijn shirt mag lenen. Ik probeer het te verbergen.

Een schoon shirt zou fijn zijn, maar zullen mensen niet dingen gaan denken over ons. Voordat ik antwoord heb kunnen geven heeft hij mijn hand al vast en trekt hij me door de menigte heen. De ogen van de anderen branden door mijn huid heen. Ik zie ze denken dat hij weer beet heeft en dat ik ze zoveelste ben die voor zijn charmes is gevallen. Een aantal van zijn vrienden kijken op en eentje geeft een kort applaus net hard genoeg zodat Bryan het kan horen. Ik zie hoe hij zijn mondhoeken optrekt en kort lacht.

‘Wacht hier maar even.’ We staan in de gang en hij rent naar boven. Ik probeer mezelf niet te gek te maken. Wat boeit het als ik zijn shirt aandoe. Mensen moeten zich met zichzelf bemoeien. Hopelijk pakt hij wel een leuk shirt en niet een polo. Als het een normaal shirt is, kan ik zeggen dat ik een extra shirt van thuis heb meegenomen. Dan ontstaan er ook geen roddels.

Hij komt na een paar minuten weer naar beneden en heeft een donkerblauw shirt vast.

‘Hier, je kan je omkleden in de logeerkamer.’ Terwijl dat hij het zegt zijn zijn ogen afgedwaald van mijn gezicht naar mijn bovenlijf. Alsof hij me uitkleedt met zijn ogen. Ik draai weg en loop naar de kamer. Hij loopt rustig achter me aan, nu met een verlangende blik in zijn ogen. Mijn hart begint harder te kloppen. Ik doe snel de deur dicht en wissel van shirt. Ik steek het shirt aan een kant onder mijn bh zodat het niet opvalt dat hij veel te groot is. Als ik de deur opendoe, is hij weg. Ik leg mijn vieze shirt bij mijn jas en loop naar de keuken. Ik vul mijn glas met wodka en cola. Een vriendin pakt mijn arm en sleept me mee naar de woonkamer.

Er zijn mensen aan het dansen en de muziek dreunt als maar harder door mijn lijf. Er wordt omgeroepen dat iedereen naar de dansvloer moet komen en dat het feest pas net begint. Een vriendin pakt mijn heupen, ik leg mijn armen om haar nek en we beginnen te dansen.

‘Anna, ik steel d’r even van je.’ Haar vriend en zij zijn een kei in het verdwijnen van feestjes. Ik laat haar een beetje los en trek haar dan nog een keer terug

 ‘Zolang je d’r zo maar teruggeeft!’ Ze geeft me een kus op mijn wang en verdwijnt met haar vriend in de menigte. Zodra ze weg zijn, voel ik gehijg in mijn nek. Ik draai me om en zie meteen weer die groene ogen. Hij pakt mijn heupen en zet aan om te dansen. Ik geef eraan toe. Hij beweegt mijn heupen op het ritme van de muziek. Niemand kijkt ervan op. Iedereen is aan het schuren en zingen. Hij draait me om waardoor ik met mijn rug tegen hem aansta. Nog steeds zijn handen op mijn heupen. Hij fluistert in mijn oor dat ik er goed uitzie in zijn shirt. Zijn adem die langs mijn nek af beweegt, geeft me een rilling over mijn rug.

Ik lach. ‘Niet overdrijven nu.’

Zijn grip op mijn heupen wordt voor een seconde losser. Hij draait me om, onze ogen ontmoeten elkaar weer.

‘Ik zal eens bewijzen dat ik niet overdrijf.’

Hij laat mijn heupen los en zet een van zijn handen om mijn wang met zijn andere hand heeft hij mijn nek vast. Zijn lippen raken de mijne. Ik schrik en probeer achteruit te deinzen. Zijn grip maakt dit onmogelijk. Hij probeert me nog een keer te zoenen. Ik zet mijn handen op zijn buik en duw hem weg.

‘Verdien ik geen bedankje nadat ik zo lief voor je ben geweest?!’

Mijn mond beweegt maar er komen geen woorden uit.

‘Ben je je stem verloren?’ hij grijnst. ‘Verdien ik geen beloning als ik zo lief voor je ben?’

‘Ik wil dit niet.’

Zijn gezicht vertrekt. Hij begint langzaam te lachen. Ik draai me om en loop met grote passen naar de logeerkamer om mijn tas te pakken die ik daar na het omkleden had laten staan. Voordat ik de deur dicht kon doen zette hij zijn voet in de deuropening. Die liefelijke blik die hij aan het begin van de avond had is verdwenen. Zijn ogen zijn donker en zijn grijns breed. Ik doe een stap achteruit. Hij stapt de kamer binnen en doet de deur dicht. 

‘Ben ik niet lief genoeg voor je geweest?’

‘Jawel’

Na iedere zin zet hij een stap dichterbij. Ik sta stil. Zijn handen op zijn riem die hij met iedere stap een stukje losser doet. Met iedere stap groeit zijn grijns. Ik wil bewegen maar mijn benen zijn veranderd in lood. 

‘Dan verdien ik toch een dankjewel.’   

 Ik sta stil en blijf stil. Niet omdat ik dit wil. Ik sta stil omdat ik niet anders kan.


 

 

2.

Oplader aansluiten! Ik grijp onder mijn bed naar de stekkerdoos.

Hey An wil je mee naar Mila? De rest kan sowieso! 

Tuurlijk kan de rest sowieso.

Ik kijk even… laat het zo weten!

Wat zou de reden zijn dat ze me nu pas vragen. Misschien hebben ze het net pas bedacht? Dat kan haast niet. Karin doet er altijd uren over voordat ze reageert. En ze kunnen het ook niet op school hebben afgesproken. Misschien toen ik naar de wc was tijdens de eerste pauze? Nee, dan zouden ze wel wat gezegd hebben toen ik terugkwam. Was het daarom dat iedereen me aankeek alsof er iets tussen mijn tanden zat? Of zat er echt iets tussen mijn tanden? Waarom hebben ze niets gezegd?

We moeten het binnen nu en 10 minuten weten. We gaan zo naar de winkel om drinken te halen.

We? Zijn ze samen? Ah oké. Wat gaan jullie halen?

We hebben gestemd en iedereen wil wijn. We hebben 10 euro per persoon afgesproken.

Als ik meega dan ben ik in ieder geval uit huis. Even weg van al dat gezeik rondom mama en haar pillen.

Ik ga mee! Hoe laat moet ik waar zijn?

Acht uur bij Mila. 

Top!

‘Pap!’ Geen reactie.’ PAP!’

‘Wat is er?

‘Ik ga zo naar Mila thuis.’

‘Weet je zeker dat je dat wel moet doen? Je was toch moe?’

‘Ja ben ik ook, maar ik heb geen zin om heel de avond thuis te zitten.’

‘Wat bedoel je daarmee? Je moeder heeft eindelijk een keer de avond vrij en dan ga je meteen weg.’

‘Gewoon, ik heb zin om iets met mijn vrienden te doen?’

‘Je kan ook thuisblijven. Leuk iets kijken met het gezin.’

‘Ik wil naar mijn vrienden.’

‘Mijn leerlingen waren vanochtend harstikke blij toen ik zei dat we film gingen kijken met zijn allen.’

‘Ik ben geen leerling van je.’

‘Nee dat is te merken.’

‘Waarom doe je nou zo boos? Ik kwam alleen even zeggen dat ik iets leuks ga doen met vrienden.’

‘Ik doe niet boos. Ik vraag alleen iets en jij reageert nog minder volwassen dan die brugklassers van me’

‘Ga jij lekker met mama die serie kijken van jullie en dan zit ik niet in de weg.’ Ik sla de deur achter me dicht. Voordat de deur in het slot valt, hoor ik nog een harde zucht.

Het is donker. De eerste noten van mijn favoriete nummer galmen door mijn oren. Het licht van de lantaarnpalen en de wind geven me rust. Even weg uit dat huis. Er vliegen een paar kraaien voorbij.

Het spijt me. Hopelijk helpt dit. Dan is hij straks minder boos. Er verschijnen twee blauwe vinkjes op mijn scherm. De lantaarnpalen lijken minder licht te geven en de wind is gaan liggen. De stilte wordt onderbroken door het getril in mijn broekzak.

Ok

Ok? Meen je die? Hoe bedoel je ok? Ik knijp mezelf in mijn arm. Waarom kan hij niet gewoon zeggen dat het oké is. Of dat het hem ook spijt? Ik voel hoe mijn nagels steeds dieper in mijn huid raken. Mijn lijf vult zich met frustratie en mijn nagels gaan steeds dieper. Het licht van de lantaarnpalen verdwijnt. Mijn benen voelen als lood. De wereld wordt wazig. De lucht breekt open en huilt met me mee. Mijn tranen laten een zwart spoor achter over mijn wangen. Hoezo is hij ineens zo boos? Zou er iets op zijn werk gebeurd zijn? Nee hij heeft perfecte leerlingen. Misschien iets met een collega? Nee hij is natuurlijk ook perfect. Ik had ook niet op een felle toon moeten reageren. Ik wrijf over mijn gezicht heen in de hoop dat het spoor van mascara verdwijnt. Ik wrijf steeds iets harder totdat het begint te branden.  Het brandende gevoel doet geen pijn het brengt rust. Mijn benen zijn niet langer van lood en de wereld wordt weer helder. 

Nog een klein stukje lopen naar Mila thuis. Had ik iets mee moeten nemen? Ik zou iets mee moeten nemen. Vijf minuten langer lopen kan er nog wel bij. De geur van afbakbroodjes en fruit ontmoeten mijn neus zodra de schuifdeuren opengaan.

‘Hey Anna!’. Ik kijk om me heen maar kan de stem niet meteen plaatsen. ‘Hoe is het? Wat een weertje hè?’

‘Het regent behoorlijk ja.’ Na twee keer knipperen, zie ik het eindelijk. Rob Janssen, een oud-collega van pap.

‘Hoe is het met je vader?’ Ik trek mijn mouw omlaag. Meteen voelen mijn benen weer zwaar. 

‘Goed hoor.’

‘Is hij nog altijd zo enthousiast over zijn kinderen?’ Zijn leerlingen. De perfecte kinderen die hij nooit heeft gehad.

‘Ja, alsof hij de loterij heeft gewonnen.’

‘Je boft maar met zo’n vader Anna!’ Mijn gezicht begint pijn te doen van al dat gelach. Hij spreekt zo enthousiast over pap. Lag het dan net toch aan mij? Misschien moet ik meer worden zoals zijn leerlingen. Daar praat hij in ieder geval wel mee. Daar is hij trots op. Een trotse vader. Altijd als we ruzie hebben, zegt hij dat ik niet genoeg op zijn klassen lijk. Op zijn kinderen... Ik open mijn mond, maar voordat ik de mogelijkheid krijg om te praten volgt de volgende vraag. ‘En hoe is het met je moeder? Zit ze nog aan de medicatie?’

‘Ja ze heeft een sterker recept gekregen.’

‘Oh? Gaat het nog steeds niet goed?’

‘Nee, dat gevoel heb ik niet nee.’

‘Zorg maar goed voor haar. Dat verdient zo’n goede moeder!’. Zo’n goede moeder. Een moeder die net weet hoe haar eigen dochter heet. Een moeder die nooit thuis is en als ze thuis is dan is ze moe. Een moeder die alleen maar kan aanwijzen wat ik wel niet fout doe. Een moeder die haar facebook vrienden belangrijker vindt dan het leven van haar dochter.

Ik knik en draai me om. ‘Ik moet gaan. Anders kom ik te laat!’

‘Doe je ouders de groetjes van me!’

Ik steek mijn hand op en geef een lach met een bijpassend knikje. Groetjes doen aan mijn ouders. Mijn lieve, lieve, lieve ouders. De ouders van wie er één nooit is. En de ander is er wel maar doet alsof ik er niet toe doe. Behalve als ik iets fout doe. Want hoe durf ik in mijn bed niet op te maken als ik haast heb. Hoe durf ik mijn huissleutel te vergeten. Hoe durf ik te vertellen wat ik op school gedaan heb in de hoop op waardering. Hoe durf ik iets met vrienden te willen doen. Hoe durf ik langer dan 5 minuten onder de douche te staan. Hoe durf ik een andere emotie te uitten dan blijdschap. En hoe durf ik in godsnaam aanwezig te zijn in mijn eigen huis. Geluid maken harder je neus ophalen is al een misdaad op zich laat staan merkbaar aanwezig zijn. Bij ons thuis is het stil. 


 

 

3.

Mijn vuist tegen de deur doorbreekt de stilte die op straat hangt en voordat ik kan knipperen staat de vader van Mila in de deuropening.

‘Hey Anna lang niet gezien!’

Ik ken Mila al tien jaar. We hebben altijd bij elkaar in de klas gezeten op de basisschool. Als mijn ouders allebei aan het werk waren, kon ik hier terecht. De ouders van Mila noemen me ook wel ‘extra interieur’. 

‘Ja, ik heb het erg druk gehad.’

‘Niet te druk hoop ik?’

‘Oh nee hoor. Gewoon veel bezig geweest met school.’

‘Hoe is het verder met je? En hoe is het thuis?’

‘Goed hoor!’

‘We hebben je gemist Anna.’ Ik kijk hem aan en het enige wat ik kan doen is knikken. ‘Ze zitten achter.’

Mijn jas past nog maar net op de kapstok erbij. Ik loop binnen en alle ogen draaien mijn kant op. In het midden van de kamer staat een grote tafel omringd door stoelen en een bank.  Aan de linkerzijde zit een groot raam en staat een haard. De donkere kleur van het laminaat staat mooi met de donkergroene muren. Aan de rechterzijde zit een deur die lijdt naar de gang waar de wc en deur naar het huis zit. De lichten zijn gedimd en de radio staat zacht aan. ‘Hey jongens. Ik heb chips meegenomen.’

In koor zeggen ze allemaal ‘Heyyyy meid!’ alsof ze het hebben geoefend.

‘We waren al begonnen. Dat vind je vast niet erg, toch?’

‘Tuurlijk niet!’ Tien voor acht. Het is tien voor acht en iedereen is er al en aan de lege flessen te zien zijn ze niet pas vijf minuten open. Ik schenk een fors glas in voor mezelf en ga op een lege bank vlak bij de deur zitten. Ik leg mijn telefoon op de tafel. Na vijftien minuten horen we een luid gedreun op de voordeur. Ik probeer de stemmen te plaatsen maar ik kom er niet uit.

‘We hebben de jongens ook gevraagd om te komen.’

Ze komen de keet in gelopen en alle meiden schuiven op. Als afgetrainde hondjes lopen ze naar de juiste plek. Ik kijk rond en mijn ogen ontmoeten de zijne. Mijn maag schiet in de knoop en mijn hart zit in mijn keel. 

‘Anna schuif eens op! Of mag ik er niet bij?’

Hij heeft het donkerblauwe shirt aan en diezelfde blik in zijn ogen. Zijn hand streelt binnen enkele seconden de bovenkant van mijn been. Als ik naar links wil schuiven dan val ik van de bank af en rechts zit hij. Zijn hand vindt zijn weg naar mijn dijbeen. Ik heb geen zin in drama dus zeg er niets van. Ondanks dat iedereen het druk heeft met zichzelf wil ik zo onopvallend mogelijk blijven. Ik probeer subtiel zijn hand te verleggen. Het moment dat mijn hand de zijne aanraakt, zet hij meer kracht. Zijn grip op mijn been verstevigd. Hij draait zijn hoofd en zijn lippen raken mijn oor. Zijn adem loopt langs mijn nek.

‘Creëer nou geen onnodig drama, Anna.’ Ik draai mijn hoofd en hij slaat zijn arm om me heen. Als ik had geweten dat hij zou komen was ik nooit gegaan. Misschien had ik toch thuis moeten blijven. Ik neem een grote slok en sta op. Ik loop naar de wc en bots tegen Mila en Karin aan die staan te giechelen in de gang.

‘O. M. G., zag ik nou dat Bryan zijn hand op jouw been had?!’

‘Is hij niet iets voor jou An? Hij vroeg al of we je uit konden nodigen. Hij heeft duidelijk interesse!’

Ik voel mijn hart samenknijpen. Het feest van Bryan is ondertussen een paar maanden geleden. Iedere keer als ik zijn naam hoor, hem zie, hem ruik, hem voel. Dan word ik teruggebracht naar hoe hij die avond telkens dichterbij kwam. Telkens een stap verder ging. Naar hoe ik niets zei. Niets deed.  De ruimte verandert in een waas en ik moet mezelf via mijn broekzak knijpen om niet te huilen. Mila en Karin hebben niets in de gaten.  Ze kijken recht door me heen en zwaaien naar de meiden die achter zitten.

‘Nee nee dat met Bryan is niets.’

Terwijl ze weglopen hoor ik ze nog zeggen dat ze niet snappen dat ik hem niet gewoon zoen. In een fractie van een seconde draait Karin zich nog om.

‘Een keer zoenen kan geen kwaad!’ Haar mondhoeken net omhoog maar niet helemaal. Alsof ze precies weet wat ze doet. Ik zie hoe Mila haar ellenboog in Karin haar zij plaatst. Ze schieten in de lach. Geen leuke of grappige lach. Nee. Een lach die door schatert. Die je voelt in je botten. Waarom zei ze het op die manier? Waarom lachte ze zo? Alsof ze precies wist wat ze deed toen die woorden haar lippen verlieten. Alsof ze het weet. Maar ze kan het niet weten. Of heeft hij het verteld? Nee. Waarom zou hij. Hij zou toch niet willen dat mensen erachter komen? Of zou hij hebben gepronkt met een nieuwe overwinning. Nee. Waarom zou hij met mij pronken? Heel de avond probeer ik geen drama te veroorzaken. Als Bryan iets zegt lach ik mee. Als hij mijn been vastpakt accepteer ik dat. Zodra hij zijn hand door mijn haar haalt stribbel ik niet tegen. Ik spreek hem niet tegen. Ik laat hem zijn gang gaan. Mijn hoofd bonst mee met mijn hart. De wereld draait en met de seconde begint hij harder te draaien. Ik moet weg. Ik moet weg. Ik moet weg. Weg van hier. Dit huis. Deze plek. Deze mensen.

Onderweg naar de voordeur voel ik in mijn zak. Shit! Ik draai me om en loop met gehaaste passen naar achter. De muren komen op me af.

‘Heeft iemand mijn telefoon gezien?’. Een groep van grote ogen kijken me aan.

‘Wat is er met jou gebeurd? Je ziet eruit alsof je een spook hebt gezien.’ Het gelach schatert wederom door mijn botten.

‘Ik begin ziek te worden…’. Mijn ogen zoeken de kamer door naar mijn telefoon. Hij staat op. Diezelfde blik. Dezelfde lach.

‘Hier is je telefoon. Ga je naar huis?’. Zijn stem diep en zwaar. Zijn stappen groot en met een doel. ‘Ik loop wel even met je mee.’

‘Dat hoeft niet hoor!’

‘Toch loop ik even mee. Ik zou niet willen dat er iets met je gebeurt.’

Ik loop naar de voortuin en hoor zijn voetstappen achter me. Mijn hart bonst als maar harder. Mijn adem steeds hoger.

‘Ziek? Is dat het beste wat je kon verzinnen? Ik dacht dat jij een soort wonderkind was dat wel kon nadenken. Het slimme meisje. Zo slim dat ze niet eens de moeite neemt een fatsoenlijk excuus te verzinnen om weg te gaan. Weet je wel niet wat voor invloed dit op mij heeft? Wat zullen ze wel niet denken. Jij die mij niet wilt. Je weet toch dat je niet beter kan krijgen Anna.’ Zijn ogen worden met de seconde donkerder. Hij pakt mijn pols en gooit mijn telefoon op de grond. Voor een seconde stopt het bonzen van mijn hart. Ik probeer los te komen, maar zijn hand zit steeds strakker om mijn pols. Zijn mond verandert in een grijns. Zijn ogen zijn zwart. Zijn andere hand begint zijn weg te vinden naar mijn heup. Zijn nagels komen door mijn shirt heen en zijn vingers laten afdrukken achter in mijn huid. Hij trekt me naar hem toe. Zijn adem hoog, verlangend. Mijn lippen bewegen maar er komt niets uit. Ik wil dit niet. Ik wil hem niet. Mijn benen zo zwaar als beton en mijn armen zo slap als pudding. Hij heeft mijn pols losgelaten en zijn hand zit in mijn haar. Zijn grip stevig. Het is stil. Hij kijkt naar me met diezelfde blik als toen. Zijn adem raakt mijn nek.

‘Niemand hoeft dit te weten. Zolang je stil bent, komt alles goed.’

Kort daarna voel ik zijn lippen in mijn nek. De hand die op mijn heup zat, zit nu op mijn billen. Ik probeer mezelf los te wringen. Zijn nagels in mijn huid. Zijn lippen op mijn keel.

De deur vliegt open.

‘Komen jullie nog naar binnen of hoe zit het?’

Het moment dat zijn blik loskomt van de mijne voel ik mijn benen weer. Bryan komt achter me staan en slaat een arm om me heen. Hij fluistert in mijn oor. ‘Je gaat naar binnen.’ Zijn arm verdwijnt van mijn schouders en ik kan weer bewegen. Ik kan niet mee naar binnen. Ik kijk naar Mila met grote ogen gevuld met tranen en loop weg. Ik hoor Bryans stem nagalmen in de nacht, zijn lach die de stilte verbreekt.

Mijn benen willen rennen en mijn hart schreeuwt. Ik draai me constant om in de angst dat hij me is gevolgd. De nacht is luider dan normaal. Ze schreeuwt. De auto’s in de verte. De kraai in die boven het weiland aan het zoeken is naar eten. Wind die door de takken waait. Het blaffen van een hond in zijn hok.  Eenmaal thuis kan ik niets anders meer voelen dan hem. Ik loop naar de keuken en trek de wijnkast open. De opengebroken fles Chardonnay is binnen enkele seconden leeg. Mijn ouders slapen al. Het is stil in huis. Stiller dan normaal. Ik sluip op mijn tenen de trap op en trek het kastje boven de wasbak open. Daar staan ze: mama’s slaappillen. Het nieuwe recept. Het sterkere recept. Het perfecte recept.


 

 

4. 

Waarom ik? Waarom zit hij achter mij aan? Wat is er bijzonder aan mij dat hij me keer op keer weer vastpakt. Keer op keer opzoekt. Het kan niet dat ik zo bijzonder ben. Ik ben al niet beter dan papa’s brugklassers. Ik loop de trap op en storm mijn kamer binnen. Het potje proberen ik op mijn bed te gooien, maar hij stuitert er via mijn matras weer af. 

Ik zou dan wel beter zijn dan al die andere meiden. Die knappe meiden. Degene die makkelijk dronken worden. Snel zoenen met een jongen. Ik ben niet beter dan een brugklasser. Ik pak het potje op en plaats deze op mijn nachtkastje.

 Het is zeker te moeilijk om én te werken én even aan je dochter te vragen hoe de dag was als je d’r ziet. Het is ook moeilijk om niet zoveel te werken dat je pillen moet pakken om tot rust te komen. Ik pak de half aangebroken fles Bacardi die onder mijn bed ligt. Ik zet mijn lippen aan de fles en begin te drinken. Ik voel hoe de drank langzaam door mijn lijf heengaat en zich verspreidt door mijn aderen. Ik voel hoe mijn innerlijke kachel harder begint te werken. Langzamerhand moet ik de fles steeds verder kantelen om er iets uit te krijgen. De laatste druppel raakt mijn tong.

Ik loop naar mijn bureau. Tussen de rommel van papieren, lege borden, glazen en boeken ligt een kleine fles wodka verstopt. Op de hoek staat een lijst waar een foto in zit. Mijn ouders die verliefd kijken naar hoe ik glimlach van oor tot oor. Wat op de foto niet te zien is, is de teleurstelling van mijn ouders tien minuten later toen ze erachter kwamen dat ik niet de profielkeuze had gemaakt die zij voor mij hadden gewild. Ze hebben altijd al gezegd dat ik arts moet worden. De fles raakt mijn lippen en ik begin te drinken. Als de fles mijn bureau raakt is hij al voor de helft leeg. Ik koos voor cultuur en maatschappij. Met dat profiel kan je geen geneeskunde studeren en dat wist ik. Ik wou niet zoals mijn moeder worden. Een overwerkte arts die alleen nog maar het leven van haar patiënten boven het leven van haar dochter kan verkiezen. Weer een grote teug wodka glijdt door mijn keel. Of zoals pap. Een wiskundedocent die zijn leerlingen de kinderen noemt die hij altijd al heeft gewild. Die zelf hun spullen opruimen, die vragen hoe zijn dag was en die tienen halen op de toetsen. Want waarom kan ik geen tienen halen. Waarom ben ik niet zoals zijn kinderen. Waarom ben ik niet goed genoeg in wiskunde. Nog een laatste slok. Het laatste beetje wodka verlaat de fles. Waarom ben ik niet goed genoeg om uit te nodigen zonder dat een jongen daar om vraagt. Waarom ben ik niet goed genoeg!

Ik graai in het potje en pak een pil. Het duurt volgens de bijsluiter 30 minuten tot een uur voordat de eerste effecten kenbaar worden. Nu alle drank op is, pak ik een slok water om de pil mee weg te spoelen en kijk om me heen. Ik kijk naar de kamer waar ik me veilig voel. Mijn plek. Met mijn spullen. In mijn kast staat een bakje van klei. Die heb ik nog van de basisschool. Vroeger lagen daar de vriendschapsarmbandjes en bff-kettingen in. Nu liggen er muntgeld, ringen en enkelen doppen van lege flessen.

Ik weet niet veel meer van de basisschool. De docenten noemden me altijd het vrolijke meisje dat goed meedeed en volwassen was voor d’r leeftijd. Tijdens de leeslessen moest ik op de gang zitten. Ik moest andere boeken lezen. Grotemensenboeken werden ze genoemd. Altijd als ik terug de klas in kwam, werd het stil en staarden er ogen naar me vanuit alle kanten. Iedereen vond me aardig, maar wel raar. En dat hielden ze niet verborgen. Er werden grapjes gemaakt over dat ik vast minder slim was dan hen en extra hulp kreeg. In feite was het andersom. Zij kregen extra hulp en ik liep voor. 

Nu in vwo5 ben ik nog altijd een prima leerling. Ik maak als ik het nodig vind mijn huiswerk en let goed op tijdens lessen. Ik wens de leraren een fijn weekend en vraag naar hun dag. Klasgenoten vinden dat ik een slijmbal ben. Iedereen kent me en ik ken iedereen. Ik word aardig gevonden, maar niet aardig genoeg om er altijd bij te hebben. Ik zie er goed uit, maar niet zo goed als de andere meiden. Ik ben grappig, maar niet net zo grappig als de andere. Ik haal hoge cijfers, maar niet de hoogste. Ik ben snel, maar niet de snelste. Er is niets waar ik in uitblink. Ik ben niet knap genoeg. Niet slim genoeg, sterk, grappig, aantrekkelijk, vrouwelijk, snel, sportief, creatief genoeg. Ik ben niet genoeg. Ik ben niet genoeg en zal dit nooit worden. Er zal altijd iemand beter zijn. Een leerling van papa. Een patiënt van mama. De dochter van de buren. De baby van de kennis van de overbuurman. Er is altijd iemand beter.

Ik graai nogmaals in de pot. Ik voel hoe de pillen langs mijn vingers glijden als ik ze probeer te pakken. Vijf. Ik slik ze een voor een en ga zitten op mijn bed. Ik staar vooruit. De nasmaak van de pillen is afschuwelijk. Ze maken mijn mond droog… Ik loop de trap af en bij iedere trede hoor ik zijn stem.

‘Creëer nou geen onnodig drama, Anna.’ ‘Ben ik dan niet lief geweest.’

 Ik vul mijn waterfles bij en ga onder de kraan hangen. Het water stroomt over mijn gezicht. Ik voel hoe mijn laatste beetje mascara uitloopt over mijn wangen. Ik begin te wrijven. Mijn huid begint weer langzaam te branden. Ik kijk op. Daar sta ik. Mijn reflectie helder. Ik pak uit het potje vier pillen. Hoe kan hij mij willen? Twee pillen. Waarom wil hij mij? Ik snap waarom papa niet trots op me is. 3 pillen. Waarom mama niet naar me omkijkt. Een voor een verdwijnen ze uit mijn hand. Ik ben het niet waard.

 De wereld begint langzaam te draaien en mijn benen worden zwaarder. Terug op mijn kamer pak ik nogmaals vijf pillen. Ik slik ze niet meer een voor een. Alles tegelijk moet ook wel lukken.

Mijn kleren voelen vies en strak om mijn lijf. 

‘Verdien ik geen bedankje nadat ik zo lief voor je ben geweest?!’

Ik trek mijn broek uit en dan mijn shirt. Mijn heupen blauw van zijn grip. Zodra ik mijn shirt over mijn hoofd heen trek voel ik het. Zijn handen op mijn heupen. Zijn adem in mijn nek. Zijn lippen op mijn lijf. Ik zie hem voor me. Ik zie hoe hij langzaam mijn kant op komt. Hoe hij zijn riem losmaakte. Ik zie hoe hij keek. Zijn ogen vol verlangen. Ik voel hoe hij mijn broek losmaakte. Hoe hij me meer drank bleef geven. Hoe hij me mee naar boven nam. 

‘‘Dan verdien ik toch een dankjewel.’ 

Zijn handen verplaatsen naar mijn borsten. Naar mijn nek. Mijn hoofd raakt mijn kussen en ik sluit mijn ogen. Zijn handen bij mijn kruis. De wereld wordt wazig. De stemmen stoppen. Het potje is leeg. De handen verdwijnen. Het is stil.

Project Verhaal is een initiatief van Sander Bakx.
©Auteursrecht. Alle rechten voorbehouden.

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.